Gieterijstraat
IJzergieterij Nering Bögel

De modelmakerij van Nering Bögel uit 1929, aanwezig een appartementencomplex onder de naam ‘De IJzergieterij’.
In 1826 kocht Johan Laurents Nering Bögel de Deventer ijzermolen, die in 1755 door Hendrik Lindeman was gebouwd. Na een paar jaar liet Nering Bögel een stoommachine en nieuwe luchtpompen plaatsen. De aanblazing in de oven werd daardoor groter en zo kon er meer ijzer gemaakt worden. In 1835 behoorde het bedrijf tot de grootste ijzergieterijen van Nederland met meer dan duizend werknemers. Het bedrijf had grote klanten, zoals de Nederlandse Spoorwegen. Naast de ijzergieterij begon Nering Bögel ook met een eigen machinefabriek.
De ijzergieterij leverde allerlei producten, zoals spoorwielen, lantaarnpalen, grafmonumenten, hekwerk, brugleuningen, kachels, waterleidingbuizen en zelfs vuurtorens. In Deventer zijn op enkele plaatsen nog producten van Nering Bögel te zien, zoals het ijzerwerk van de Botermarkt, het balkonhek van de Herensociëteit en de engeltjes van de Wilhelminafontein op de Brink. Ook komt de naam Nering Bögel voor op de putdeksels die je overal in de stad ziet. Die putdeksels zijn echter niet in Deventer gemaakt, maar komen uit een fabriek uit Weert. De Deventer ijzergieterij van Nering Bögel ging tijdens de crisistijd in het jaar 1932 failliet. De gebouwen werden grotendeels gesloopt, behalve de opslagplaats voor gietmallen aan de Emmastraat, die enkele jaren daarvoor was gebouwd. Dat gebouw werd gekocht door de meelfabrikanten Noury en Van der Lande. Later was in dat gebouw het Kunstenlab gevestigd. De straatnaam Gieterijstraat in de Raambuurt herinnert nu nog aan de roemruchte ijzergieterij Nering Bögel.

De IJzergieterij aan het begin van de negentiende eeuw, met op de achtergrond de Bergkerk.
De oorsprong van het bedrijf gaat terug tot 1756 toen Hendrik Lindeman de watermolen in de Schipbeek nabij de Deventer stadshaven geschikt liet maken als ijzersmelterij. Hij had al zijn sporen verdiend als ondernemer door het uitbaten van een zeepziederij, het weer bevaarbaar maken van de Schipbeek als verbinding met Twente en de Achterhoek en een postkoetsdienst op te zetten met het Duitse achterland. Net als de ijzergieterijen langs de Oude IJssel werd ook Lindeman ijzeroer als grondstof gebruikt, dat in de nabij Deventer gelegen dorpen Bathmen en Gorssel werd aangetroffen. De Schipbeek bevat zowel als aanvoerroute voor houtskool uit Twente en kalksteen uit Duitsland, ook om via de waterraderen de blaasbalgen van de hoogoven aan te drijven, waardoor mannen in het geval van een lage waterstand terugvallen op een rosmolen met acht paarden. Voor de benodigde kennis en ervaring trok Lindeman een Hüttenmeister uit het Siegerland aan. In totaal waren zo’n honderd arbeiders verbonden aan de ijzermolen, bestaande uit ijzeroergravers, smelters, modelmakers en vormers. Het productenpakket bestond uit kanonskogels, haardplaten, ketels en contragewichten met een jaarlijkse omvang van zo’n vijfhonderd ton. De bedrijfsgebouwen bevonden zich tussen de afgeleide stadsmuur – ter hoogte van de Bergkerk en Bergpoort – en de gebastioneerde vestingwerken uit de zeventiende eeuw. Voorheen was dit niemandsland in gebruik geweest bij de lakenwevers die er hun doeken na het vollen hadden opgedroogde ramen, waaraan zijn naam dan ook ontleende: de Raeme, later de Raambuurt.

Litho uit 1880. IJzergieterij Nering Bögel. Interieurtekening van de gieterij, met geheel links de koepeloven.
Na de dood van Lindeman doet zijn erfgenamen de ijzermolen in 1767 van de hand. Deze zal in de halve eeuw volgen nog een aantal malen van eigenaar die verandert voordat ze in 1826 in bezit komt van de Zutphense rechter Herman Adriaan Nederburgh en diens schoonzoon Johann Laurens Nering Bögel. Laatstgenoemde beschikte over tien jaar ervaring in ijzergieterij ‘Minerva’, een familiebedrijf in het Duitse Isselburg (net over de grens aan de Oude IJssel) waarvan hij na de dood van zijn vader de leiding had gekregen. In de jaren zeventig hij in Deventer had een aantal moderniseringen door die in de ‘Minerva’ riet hun nut bewezen zoals vervanging van de blaasbalgen door luchtpompen, voorverwarming van de blaaslucht en een koepeloven om te kunnen verwerken, waardoor de ijzeroer matig inmiddels verbruikt waren. De stoommachine van de Duitse firma Dinnendahl stierf in 1829 met plaatsen tot de vroegste voorbeelden in Nederland. Eveneens van de Oosterburen kwam uit het e-mailleerproces dat hij veronderstelde om de kwaliteit van potten en pannen te verbeteren. Schoonvader Nederburgh had lange tijd in Nederlands-Indië gewerkt als bestuursambtenaar en zijn netwerk gebruikt daar om exportorders in de wacht te slepen voor de gieterij. Dit bepalen van de basis voor een klantenbestand in ‘de Oost’ waarvan het bedrijf nog een eeuw lang zou voorkomen, bijvoorbeeld voor de levering van suikermolens. Het assortiment was grotendeels uitgebreid met gietstukken die groter en/of ingewikkelder zoals waren molenassen, buisleidingen, tandraden, kelders, rasterwerk, kerkramen, gedenknaalden, zerken, busten en siergietwerk. Vanaf 1834 werden deze producten, wederom naar Duits voorbeeld, met een catalogus bij de klanten onder de aandacht gebracht. Met een jaarproductie van duizend ton gietwerk en honderdvijftig arbeiders was gieterij in tien jaar ontwikkeld tot de grootste en modernste van Nederland.

Interieurfoto van de gieterijhal aan het begin van de twintigste eeuw.
Vanaf 1840 ging Nering Bögel er over om onderdelen voor stoommachines te gieten en dichtbij zich zo tot een machinefabriek, een ontwikkeling die ook andere grote gieterijen doormaakten in die tijd. Naast stoommachines voor uiteenlopend klanten ging het dan om strokokers voor de kartonindustrie in Groningen, suikermolens voor Nederlands-Indië en lithografische persen voor drukkerijen. Toen medio jaren vijftig op het naastgelegen terrein de gemeentelijke gasfabriek verrees leverde Nering Bögel hier de leidingen en gashouders voor en schakelde mannen over op steenkool (en cokes) als brandstof. Houtskool begon schaars te worden en dankzij de gasfabriek was de aanvoer van steenkool (en cokes als restproduct) gegarandeerd. De ervaring die mannen bij de bouw van de gashouders opdeed met plaatwerkconstructies vormde een opstapje naar de bouw van vuurtorens, waarvan die voor Scheveningen – bestaande uit meer dan vierhonderd platen en in 1875 in gebruik genomen – de bekendste was. Johann Nering Bögel was toen al tien jaar dood en de hoogoven werd in 1873 definitief gesloten. Zijn oudste zoon, Johan Frederik, gaf het stokje al in 1877 door aan zijn zoon, Johan Laurens Jr. die net als zijn grootvader het vak geleerd had bij de ‘Minerva’, maar bovendien ook afgestudeerd was aan de Technische Hochschule van Hannover. In korte tijd werd vervolgens de ketelmakerij gemoderniseerd, een spooraansluiting voor de aanvoer van grondstoffen geopend en een nieuwe gieterij in gebruik gesteld. De uitbreiding van het complex zorgde ervoor dat de onderneming opnieuw nieuwe klanten aan zich te binden, zoals Aberson uit het ontstaan Olst die steenvormmachines bouwde en de opkomende stoomtrammaatschappijen waar spoorwielen en wissels aangeleverd werden. Aan de andere kant werd afscheid genomen van het siergietwerk, en wel door een fontein te bouwen die ter ere van de kroning van Koningin Wilhelmina in 1898 werd onthuld. Deze Wilhelminafontein vormt samen met de botermarkt uit 1889 vandaag de dag nog altijd een tastbare herinnering aan Nering Bögel in het Deventer stadsbeeld.

Het modellenmagazijn uit 1907, was onder de naam ‘IJzermolen’ functioneel een pakhuis voor zaden en kunstmest. Nu als vergadercentrum dat er in huisvest is, is nuttig met de naam ‘Pakhuis met PIT’
Omdat de nieuwe investeringen in het fabriekscomplex na de eeuwwisseling nodig waren was het financiële vermogen van de familie te boven gegaan, besloot Johan Laurens Jr. in 1902 tot oprichting van een naamloze vennootschap. Het bedrijf stond voorheen bekend als NV Deventer IJzergieterij & Machinefabriek v/h Nering Bögel & Co. De volgende expansiegolf vond plaats onder bezielende leiding van inmiddels de vierde generatie Nering Bögel, Jacobus Albertus Constant van ‘Mijnheer Coos’. Naast kapitaal was daar nu ook ruimte voor de gasfabriek verplaatst. Op dat terrein bouwde men drie hallen, een kantoor en een elektriciteitscentrale. Aan de avond van WOI kon een aanzienlijke mechanisatie op jaarbasis zo’n zesduizend ton ijzer verwerkt worden door een personeelsbestand dat werd uitgevoerd tot meer dan duizend werknemers. Nieuwe producten waren onder andere centrifugaalpompen voor stoomgemalen, licht- en zuiggasmotoren en tinbaggermolens voor Nederlands-Indië. Met de naam het bekende Hartguss-gietwerk was een specialisatie waarmee het bedrijf in Nederland voorop liep. Om klanten ook met componenten uit gietstaal te kunnen beleveren schafte Nering-Bögel zelfs een Bessemerpeer aan. De ingebruikname had het 175-jarig bedrijfsjubileum in 1931 moeten bekronen, maar door de economische depressie liep alles anders. Door de stagnatie van de orderstroom moest een derde van de arbeiders afvloeien en een jaar later de banken het krediet beëindigen, gevolgd door een faillissement.

De Bessemerpeer in actie, vastgelegd door industrieschilder Herman Heyenbrock.
Al snel maakt ‘Mijnheer Coos’ vanuit een villa in Wassenaar een doorstart, maar dan als Technisch Bureau Nering Bögel en gespecialiseerd in rioleringsputten. Op dit gebied vertegenwoordigde hij de Britse onderneming Dover Engineering Works en liet hij het gietwerk uitvoeren bij De Globe in Tegelen, waarvan het in 1950 een aantal werd. Vijf jaar later verhuisde het bureau naar Weert om dichter bij het productiebedrijf te zitten. Daar is het bedrijf ook nu nog gevestigd met naast putdeksels, hanen en kolken ook afscheiders voor industrieel gebruik in haar productenpakket. Het fabriekscomplex in Deventer bleef tot in de jaren tachtig overeind staan en in die periode boden de grote hallen af en nog onderdak aan evenementen. Daarna heeft de gieterij plaatsgemaakt voor woningbouw en ontkwamen slechts twee gebouwen aan de slopershamer. De modelmakerij uit 1929 kwam drie jaar na het faillissement in handen van het Deventer chemiebedrijf Noury & Vandelande (later AKZO) dat als laboratorium werd gebruikt. Tussen 1998 en 2014 had het als Kunstenlab een culturele bestemming, waarna het werd omgebouwd tot appartementencomplex ‘De IJzergieterij’. Het was de laatste toevoeging aan het complex met bouwkenmerken van de zogenaamde ‘Nieuwe Haagse School’, waarvan portiersloge en trappenhuis het meest in het oog springen. Het modellenmagazijn uit 1907, waarin alle exemplaren werden opgeslagen en gecatalogiseerd, was na het faillissement een pakhuis voor zaden en kunstmest van de firma Schepers, die met de naam ‘IJzermolen’ de herinnering levend gehouden aan de oorspronkelijke bestemming. Het vergadercentrum dat er dan in huisvest is, is nuttig met de naam ‘Pakhuis met PIT’ op haar beurt weer naar de beperkte gebruiker van het pand. Beide gebouwen hebben de rijksmonumentenstatus.
DETO

- Diensten: Het bedrijf richtte zich aanvankelijk op dagtochten en meerdaagse groepsreizen per touringcar. In 1997 breidde de onderneming uit met een taxitak en specialiseerde zich later sterk in het (speciaal) leerlingenvervoer in en rondom Apeldoorn en Deventer.
- Grote brand: Op 3 januari 2003 werd de busmaatschappij getroffen door een verwoestende brand, waarbij vrijwel het volledige bedrijfspand en het wagenpark in de as werden gelegd.
- Overname: Na een zware periode als gevolg van de brand, werd DETO op 1 februari 2004 overgenomen en toegevoegd als zusterbedrijf aan reisorganisatie Betuwe Express uit Herveld. Het bedrijf bleef daarna onder de naam DETO Personenvervoer (en later Deto Tours) opereren.

