Binnensingel
Binnensingel 5: Badhuis
Tegeltableau met datering bouwjaar 1886.
Gebouwd in 1886 voor Bestuur Nieuwe Deventer Badinrichting. In 1896 aan rechterzijde vergroot.
De geschiedenis van het Badhuis aan de Binnensingel 5 te Deventer (Bron Mevr.. T. Plettenberg)
Een vernietigend oordeel „Ondoelmatig, onderkomen, bouwvallig, onpraktisch, een aanfluiting van het begrip netheid, voldoet niet aan de minimum eisen van doelmatigheid, esthetica en hygiëne.” Met deze niet mis te verstane woorden wordt het badhuis aan de Binnensingel te Deventer beschreven in maart 1963. In niets is hierin het elegante badhuis te herkennen dat in 1886 zijn deuren opent. Het gebouw is ontworpen door de stadsbouwmeester J.A.Mulock Houwer. Samen met andere vooraanstaande Deventenaren, zoals bijvoorbeeld dr.J.C.van Schilfgaarde, vormt hij het bestuur van de Nieuwe Deventer

Badinrichting.
De oprichting van de Nieuwe Deventer Badinrichting is te danken aan een initiatief van de Diakenvereniging van de Hervormde Gemeente te Deventer. Zij stelt zich ten doel „..de volksgezondheid te bevorderen door inrichting en instandhouding van een gebouw tot gebruik van baden’’. Het kapitaal om dit gebouw te kunnen verwezenlijken wordt bijeengebracht door uitgifte van aandelen à f.100,00. De grootste aandeelhouder is het Groote en Voorster Gasthuis met vijftien aandelen. Het gasthuis verbindt hier wel de voorwaarde aan dat „… voor den werkman gelegenheid worde gegeven tot verkrijging van baden tegen betaling van 10 cents.” Het initiatief voor het oprichten van een badhuis komt niet zomaar uit de lucht vallen. Er is aan het einde van de negentiende eeuw een dringende behoefte, en niet alleen in Deventer, om de volksgezondheid te verbeteren. Er zijn veel uitbraken van besmettelijke ziekten, de hygiënische omstandigheden zijn ronduit slecht. De Deventenaren zijn aangewezen op stadspompen. Met name in de binnenstad zijn zij de bron van ziekteverwekkers. Op sommige plaatsen staan ze zij aan zij met een lekkende beerput en wordt er op die manier vervuild water opgepompt. En pas in de jaren tachtig van de negentiende eeuw ontdekt men dat cholera en tyfus veroorzaakt worden door bacteriën die o.a. in vervuild drinkwater voorkomen. En niet door miasma: vieze lucht afkomstig van rottende materie. Overigens moeten ook de bewoners van de stadsvilla’s in de nieuwe Singelwijk het zonder waterleiding stellen. Zij maken onder andere gebruik van regenwater dat opgeslagen wordt in de kelders onder hun huis of van een put in hun tuin. Pas in 1894 krijgt Deventer waterleiding. Tot die tijd maakt het badhuis gebruik van het water uit de Binnensingel. De komst van het badhuis roept wel vragen op. In het artikel ,,Het Badhuis aan den Binnensingel 50 jaar” schrijft de redactie dat men zich indertijd heeft afgevraagd of dit badhuis er wel moet komen. Er is kort ervoor nog geld gestoken in een nieuwe tram, voor het bouwen van een nieuwe Buiten-Sociëteit is een plan aangenomen, moet er nu ook nog een badinrichting bij?

De inrichting
Op de begane grond van het badhuis zijn in totaal veertien badkamers, met tweeafdelingen: zeven badkamers zijn voor vrouwen en zeven voor mannen. Dat is opvallend want in veel badhuizen worden mannen en vrouwen gescheiden gehouden door ze op verschillende tijdstippen te laten baden. Er zijn vier wachtkamers, een vestibule, een kantoor en een machinekamer. De zogenaamde waskeuken bevindt zich in de kelder. Op de eerste verdieping bevindt zich de woning voor de badmeester. Zij bestaat uit een portaal, een keuken, een woonkamer en een slaapkamer. Als in 1974 het badhuis zijn deuren moet sluiten zijn er aan deze indeling geen veranderingen aangebracht.

Baden en tarieven
In de badkamers zijn kuipbaden, sommige wat groter dan andere, die doen dienst als luxe bad. De bezoeker aan het badhuis kan kiezen uit een aantal mogelijkheden, maar daar hangt wel een prijskaartje aan. Wat dit betreft is het badhuis een aardige weerspiegeling van de klasse-maatschappij uit de jaren negentig van de negentiende eeuw. Men kan een stort- of een ligbad nemen en er is de keuze tussen een eerste klasse en een tweede klasse bad. Bij een eerste klasse bad vult de bader zelf het bad en worden twee handdoeken verstrekt. Bij een tweede klasse bad vult de badmeester het bad op een bepaalde temperatuur en krijgt men maar één handdoek. Wel kan in alle gevallen tegen betaling over meer handdoeken beschikt worden. In het algemeen geldt dat men voor alle soorten baden abonnementen kan kopen waardoor prijzen iets lager zijn. In 1886 gelden de volgende tarieven: voor een eerste klasse groot bad wordt f.0,75 in rekening gebracht, voor een eerste klasse gewoon bad betaalt men f.0,50 voor de tweede klasse betaalt men slechts f.0,20. Tenslotte mogen kinderen onder de tien samen in bad, voor een eerste klasse betalen zij f.0,30 en voor de tweede klasse wordt f.0,15 in rekening gebracht. Werklieden of twee van hun kinderen samen in één bad betalen f.0,10. Pas in 1896 komt er een drietal douches bij, speciaal voor werklieden. Per douche betaalt men f.0,10. Tijdens een vergadering van de Volksbond, afdeling Deventer, pleit de heer Van Viersen echter „… voor de oprichting van een Volksbadhuis in een onzer volkswijken; een badhuis waar den ambachtsman en zijnen kinderen tegen betaling van enkele centen een warm of koud bad zou kunnen worden verstrekt. Volgens hem is ons bestaand badhuis op den Binnensingel den werkman te duur en te voornaam.’’ (5). Dat badhuis is er niet gekomen, dus blijven de werkliedengebruik maken van het badhuis aan de Binnensingel. In de loop der jaren worden de tarieven aangepast. Enkele voorbeelden. Al in 1887 vindt de eerste tariefswijziging plaats. Het tweede klasse bad wordt met f.0,05 verhoogd Dit bad kost meer dan het opbrengt en wordt gebruikt door lieden waar het niet voor bedoeld is, blijkt uit de notulen van de Bestuursvergadering van 6 maart 1887. Vanaf 1918 worden er geen handdoeken meer verstrekt. In 1922 kost een tweede klasse bad f.0,35, een werkmansbad wordt verhoogd naar f.0,25 en een douchebad gaat f.0,20 kosten. Dit laatste wordt een jaar later weer teruggedraaid. En tenslotte zal men in 1966, maar dan is het badhuis al jaren in handen van de gemeente, voor een douche f.0,70 of f.0,80 betalen afhankelijk van dag en tijdstip. Kuipbaden à f.0,70 mogen dan alleen genomen worden op grond van een medische indicatie.Voor allen geldt dat als de tijd verstreken is, voor dames 40 minuten en voor heren 30 minuten, de badmeester onverbiddelijk op de deur klopt. Wordt de tijd met meer dan vijf minuten overschreden dan wordt een tweede bad in rekening gebracht.
De openingstijden
Als het badhuis in 1886 de deuren opent, blijven die 112 uur per week open. Iedere dag kan men van ´s morgens tot ´s avonds gebruik maken van de badgelegenheid. Ook op zondag is het badhuis geopend en wel van 7 tot 10 uur ´s morgens. Als hier in 1908 in verband met bezuinigingen een einde aan gemaakt wordt, zijn met name de arbeiders boos. Zij kunnen nu alleen op zaterdagmiddag, en dat is een van de drukste middagen, gebruik maken van het badhuis.Om allerlei redenen bijvoorbeeld omdat er bezuinigd moet worden op de stookkosten, omdat het badhuis opgeknapt moet worden of om een ernstiger reden: de uitbraak van een cholera epidemie, worden de openingstijden aangepast. In 1970 vier jaar voor het badhuis definitief gesloten zal worden, is het badhuis nog maar 25 uur per week open.

Bezoekers
Tot de eerste helft van de twintigste eeuw is er een gestaag groeiend aantal bezoekers. En hoe meer bezoekers, hoe meer aandelen er verzilverd kunnen worden. Het jaar 1896 is een van de topjaren: negen aandelen worden uitgeloot. In 1913 is weer sprake van een recordjaar: 20.261 baden worden er genomen. Ook de jaren erna blijft het aantal bezoekers stijgen. In 1916 zijn het er 1000 meer en er kunnen dan ook 12 aandelen uitgeloot worden. In 1917 tenslotte, wordt het hoogste aantal bezoekers genoemd: 21.301. Na 1917 neemt het aantal bezoekers geleidelijk af.Opvallend is dat de opening van een tweede badhuis in 1923 in het nieuwe Knutteldorp geen invloed heeft op het aantal bezoekers aan het baduis in de Binnensingel. Althans in de notulen van de algemene ledenvergadering waar bovenstaande gegegevens vermeld worden, wordt dit badhuis niet als concurrent vermeld.Daarvoor kan een tweetal redenen genoemd worden. In de eerste plaats is de Binnensingel voor de bewoners van de nieuwe wijk te ver weg. In de tweede plaats is in de huur van de woningen in Knutteldorp een bedrag opgenomen voor het gebruik van het badhuis in die wijk. Dat het jaar 1924 ongunstig is voor de het badhuis aan de Binnensingel, er worden 2800 minder baden genomen dan het jaar ervoor, wordt veroorzaakt door het feit dat het badhuis een maand gesloten is geweest in verband met vernieuwingen die moesten worden aangebracht.
De eerste badmeester D.H.Schoneveld (1886-1900)
Voor de betrekking van badmeester is er veel belangstelling. De heer D.H.Schoneveld wordt per 1 december 1886 aangesteld in het badhuis aan de Binnensingel. Per week gaat hij f.5,00 verdienen. Naast deze verdienste kan hij vrij beschikken over de bovenwoning in het badhuis en heeft hij gratis gebruik van water, licht en vuur. Schoneveld wordt verantwoordelijk voor een goed functioneren van het badhuis. Hij wordt hierbij geholpen door een aantal werkvrouwen. De badmeester moet erop toezien dat er per badruimte slechts één persoon wordt toegelaten, met uitzondering van kinderen onder de tien jaar. Hijzelf vult de tweede klasse baden met water op 25 à 30 graden. Afhankelijk van het soort bad verstrekt de badmeester één of twee handdoeken. Hij is er voor verantwoordelijk dat er steeds voldoende, schone handdoeken zijn. Tijdens de bestuursvergadering van 6 maart 1887 wordt „…besloten het loon van de badmeester met het oog op de vele werkzaamheden, eenigszins te verhoogen…’’ . Voor het wassen van iedere handdoek krijgt hij voortaan 1 cent en voor hulp bij het baden 2 cent. Behalve de bezigheden van de dagelijkse gang van zaken wordt er meer van de badmeester verwacht. Op gezette tijden nodigt het bestuur Schoneveld uit om verslag te doen van het aantal baden dat op verschillende tijden genomen wordt. Zeker in de beginfase van het badhuis is dat van belang. Zo blijkt dat de grote baden te weinig gebruikt worden. Men overweegt een prijsverlaging in te voeren, maar stelt dit nog even uit. Gelukkig is noch badmeester Schoneveld, noch zijn twee opvolgers getuige geweest van een ongeval in het badhuis. Dit overkwam wel de badvrouw van het badhuis in Apeldoorn. Toen na lang kloppen de deur van een badruimte gesloten bleef, opende zij de deur en vond de baadster dood in het bad (😎). De badmeester van het badhuis in Amsterdam werd zelfs geconfronteerd met een bezoeker die tijdens het nemen van een bad zelfmoord pleegde. Badmeester D.H.Schoneveld overlijdt op 20 juli 1900. Zijn zoon Jan volgt hem op.

De tweede badmeester J.Schoneveld (1900-1941)
Als de nieuwe badmeester wordt aangesteld is hij nog vrijgezel. Hij trouwt in 1901 met Hermina IJzerman. Het badhuis is dan twee dagen gesloten: 16 en 17 maart. Het bruidspaar krijgt een cadeau van f.20,00. Regelmatig krijgt de badmeester een loonsverhoging: in 1906 komt er f.1,00 per week bij. In 1917 komt er niet alleen f.2,00 per week bij maar er is ook sprake van een duurtetoeslag over 1915 en 1916 van f.100,00. In 1929 krijgt hij een gratificatie van f.200,00. Hij verdient dan per week inmiddels f.9,50.Tijdens de ledenvergadering van april 1932 wordt de badmeester een pensioen in het vooruitzicht gesteld van f.600,00 per jaar ingaande als hij 65 is of eerder in geval van blijvende invaliditeit. In 1934 wordt besloten dat mejuffrouw H.Schoneveld-IJzerman, zijn echtgenote, als pensioen f.300,00 zal krijgen als haar man is overleden. Hier gelden twee restricties: de financiën moeten het toelaten én als zij hertrouwt, zal het pensioen vervallen. En zoals het bij zijn vader het geval is geweest, wordt ook deze badmeester regelmatig geraadpleegd door de leden en door het bestuur van de vereniging. Vaak gaat het dan om bezuinigingsmaatregelen vooral om die van de stookkosten. Op de agenda van de bestuursvergadering van 6 mei 1914 is één van de punten een brief van de Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose. De barse toon ervan kan het bestuur niet bekoren. Wat is het geval geweest? De badmeester heeft een aantal tbc-lijders de toegang tot het badhuis geweigerd. Hij heeft dit gedaan uit angst dat regelmatige bezoekers worden afgeschrikt door hun aanwezigheid. De patiënten zijn waarschijnlijk uit het ziekenhuis gekomen dat naast het badhuis ligt. Het bestuur staat volledig achter Schoneveld. Het antwoord is duidelijk: de badinrichting is een onafhankelijke, commerciële instelling. Als de betalende bezoekers daarom weg blijven, mag er geen enkele patiënt meer in het badhuis komen. Niet alleen uit de geldelijke beloning blijkt de waardering die de ledenvergadering voor de badmeester heeft. In een verslag van de vergadering van aandeelhouders, verschenen in het Deventer Dagblad van 3 april 1905, is er sprake van ,,dezen uitstekenden badmeester … dat het bestuur zeer over hem tevreden is … meer dan tevreden.’’Heel veel jaren later in 1937 verschijnt er een artikel in het Deventer Dagblad, waarin de loftrompet over Schoneveld wordt uitgestoken. ,,Wij ontmoetten den badmeester, die met zijn badinrichting één is, … Hij ontving ons even monter alstoen hij zelf en wij nog zoveel jaren jonger waren…’’ .Waarderende woorden voor badmeester Schoneveld klinken ook uit een ingezonden brief in de Koerier van 18 maart 1941. De lezer, P.H.Aretz wijdt 7daarin o.a. een woord van dank aan ,,den scheidende badmeester, den heer Schoneveld, voor zijn vriendelijke en voorkomende bediening, waarbij hem een lange en rustige levensavond wordt toegewenscht.’’ In hetzelfde ingezonden stuk schrijft Aretz dat er wordt beweerd dat het badhuis gesloten zal worden. Hij suggereert daarbij dat het op de weg van de gemeente ligt de exploitatie van het badhuis op zich te nemen.
Het badhuis in handen van de gemeente 1941
Gedurende de eerste maanden van 1940 is het badhuis gesloten. In het Verslag der Handelingen van den Raad der Gemeente Deventer van 22 januari 1940 over het jaar 1940 wordt de klacht geuit dat provincie en rijk geen geld meer hebben voor belangrijke, sociale voorzieningen: ,,Zoo is voor Deventer toch zeker nodig een behoorlijk badhuis. Voor een gemeente als Deventer met ruim 4000 inwoners is zulk een badhuis noodzakelijk’’. Tijdens de Openbare Vergadering van den Raad der Gemeente Deventer op 25 maart 1941 stelt de heer Van Oeffelen voor dat het badhuis geëxploiteerd zal gaan worden door de gemeente. De burgemeester geeft aan dat een en ander besproken is en dat de gemeente het badhuis zeer waarschijnlijk niet gaat exploiteren. Enige maanden later staat op de agenda van de burgemeester de ontvangst van een brief van de Vereeniging tot verbetering van den Woningtoestand in de gemeente Deventer, waarin zij aanbiedt de exploitatie van het badhuis aan de Binnensingel op zich te nemen. Deze vereniging heeft een ruime ervaring op dit gebied. Het badhuis op het Knutteldorp uit 1928 wordt immers ook door haar geëxploiteerd. Het badhuis krijgt weer toekomst: bij besluit van de burgemeester van 10 oktober 1941 wordt de badinrichting aan de Binnensingel voor f.10.000,– van de vereniging De Nieuwe Deventer Badinrichting gekocht . De exploitatie wordt in handen gelegd van de Vereeniging tot verbetering van den Woningtoestand in de gemeente Deventer. Beide badhuizen krijgen van de gemeente subsidie om tekorten weg te werken.

De derde badmeester Hobrecker (1941-1974)
Er is nu niet alleen een nieuwe eigenaar van het badhuis, maar er komt ook een nieuwe badmeester: de heer Th.B.Hobrecker. Hij wordt per 27 oktober 1941 aangesteld. Van huis uit is hij verwarmingsmonteur en hij heeft ook een middenstandsdiploma. Net als zijn voorgangers beschikt hij over de vrije bovenwoning en heeft hij recht op vrij water, gas en elektra. Hobrecker verricht kleine reparaties en is ook weer verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. In mei 1945 krijgt hij daarbij hulp uit onverwachte hoek. De commandant van de repatrieringsdienst verzoekt het badhuis te laten schoonmaken door mannelijke, militaire gedetineerden onder begeleiding van een wacht. Aanvankelijk wordt de badmeester geassisteerd door twee badknechten. In verband met bezuinigingen verdwijnt die functie in 1970. Hobrecker zal tot de definitieve sluiting in 1974 aan het badhuis verbonden blijven. Hij eindigt met een maandsalaris van f.1.663,82. De gemeentelijke personeelsdienst zorgt ervoor dat hij werk krijgt bij de nieuwe technische dienst van de Vereniging Patromonium. Verder zorgt de gemeente voor herhuisvesting voor ex-badmeester Hobrecker.

Het badhuis wordt opgeknapt
Tot de definitieve sluiting van het badhuis in 1974, heeft men van alles geprobeerd om het badhuis open te houden. Maar wat men ook doet: verhoging van de tarieven, beperktere openingstijden, jaar na jaar moet de gemeente toeleggen op de exploitatie van het badhuis. In 1962 wijst de gemeentelijke accountantsdienst B & W erop dat zowel het badhuis op het Knutteldorp als aan de Binnensingel een nadelig saldo laten zien. En dit terwijl de badgelden en het aantal genomen baden gelijk is gebleven. Het nadelig saldo voor het badhuis in Knutteldorp is f.2.745,10 dat voor het badhuis aan de Binnensingel is f.14.860,05. Dit laatste hoge bedrag is ontstaan door het verouderde, ondoelmatige gebouw, waardoor er o.a. twee badknechten nodig zijn. Openbare Werken doet het voorstel f.27.000,00 ter beschikking te stellen tot verbetering van het gebouw. Aangezien er in 1962 nog altijd 23.439 baden zijn genomen, besluit men tot verbetering over te gaan. Als het badhuis opgeknapt is, kan men de tarieven met een gerust hart verhogen. Van al deze perikelen hebben de gebruikers van het badhuis weinig kunnen merken. Behalve natuurlijk dat het badhuis er na de opknapbeurt beter uitzag. Een toenmalige bezoekster, mevrouw Douma, beschrijft een bezoek aan het badhuis aan de Binnensingel als volgt:,,Daar gingen we, gewapend met handdoeken, zeep en schoon ondergoed. Bij binnenkomst kwamen de stoom en de geluiden van gesis, stromend water en gezang je al tegemoet. … Er was één echt luxe bad, helemaal betegeld en met een trapje dat afliep in de kuip. Als we dat konden bemachtigen voelden we ons Esther Williams (de zwemfilmster) en lieten we ons gracieus te water. Dan was er opeens een dreun op de deur. De badmeester die schreeuwde dat we nog 10 minuten hadden. Gauw onze haren wassen, want de kraan werd onverbiddelijk dichtgedraaid als de tijd om was. Verkwikt en verfrist kwamen we met natte haren thuis.’’
Opnieuw verliezen
Vier jaar later in 1966 verzoekt de Vereeniging tot verbetering van den Woningtoestand in de gemeente Deventer het halfjaarlijkse voorschot voor het badhuis aan de Binnensingel te verhogen van f.5.000,00 tot f.15.000,00. De afdeling financiën van de gemeente tekent aan dat er een verwacht tekort zal zijn van f.30.000,00 in plaats van f.20.000,00. Het wordt moeilijk voor de gemeente Deventer om aan dit verzoek te voldoen. De algemene begroting van de Gemeente Deventer voor1967 laat dan een tekort zien van f.2.500.000,00! Bezuinigingen zijn dus noodzakelijk voor het badhuis. Het tarief voor een douche-bad moet naar f.0,80 en de kuipbaden mogen alleen op medische indicatie genomen worden. Volgens badmeester Hobrecker proberen mensen een briefje van de dokter te krijgen voor het nemen van een kuipbad, dat is namelijk buiten de spitsuren een dubbeltje goedkoper dan het nemen van een douche. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Een kuipbad is er niet voor genezing. Het is bedoeld voor gebrekkige mensen.Ondanks alle maatregelen die er genomen worden, blijft de gemeente verlies lijden op de exploitatie. Het aantal bezoekers neemt af. In 1966 zijn er nog 16.800, drie jaar later 9.800 en in 1972 nog maar 7.100. De exploitatieverliezen blijven hoog. In 1970 is dat f.48.682,69.
Sluiting
In een brief van 24 april 1974 laat de gemeente Deventer de Vereeniging tot verbetering van den Woningtoestand in de gemeente Deventer weten dat zij de exploitatie van het badhuis aan de Binnensingel per 1 september 1974 wil beëindigen. Het gemeentebestuur heeft zich bij het nemen van dit besluit laten adviseren door de afdeling welzijn van de gemeente. Deze afdeling heeft bekeken welke bezoekers van het badhuis gebruik maken. “De indruk bestaat dat buitenlandse arbeidskrachten en studenten in relatief sterke mate het badhuis gebruiken.” Voor deze bezoekers geldt dat zij in het Enkhuis op het Rode Dorp kunnen douchen. Voorts moet er zo snel mogelijk begonnen worden met het renoveren van woningen en het daarbij aanbrengen van douches. Als het badhuis eind 1974 de deuren sluit, is er een exploitatietekort van f.30.354,62. Dit bedrag wordt ondergebracht bij de post onvoorzien.
De sloop van het badhuis en verkoop van de bouwgrond.
Het zal nog een aantal jaren duren voor het badhuis gesloopt zal worden en de bouwgrond verkocht wordt. Verkoop en sloop gaan niet van een leien dakje. Uit het Deventer Dagblad van 8november 1977 blijkt het volgende. De gemeente Deventer heeft al jaren contact gehad met Promotion Kruithof O.G. over de verkoop van de bouwgrond. Kruithof wil op de plek van het badhuis „een gebouw van drie woonlagen met vijftien koopflats bouwen’’. In de raadscommissie voor volkshuisvesting komt er van twee verschillende kanten protest tegen de plannen van B. en W.10 Van de kant van de PvdA komt de vraag waarom de gemeente niet zelf een woongebouw laat zetten. De VVD heeft geen bezwaar tegen de verkoop van de bouwgrond aan Kruithof. Maar in niet mis- te- verstane woorden verzet zij zich tegen een anti-speculatie beding van tien jaar: „een onredelijk en stinkend lapmiddel … onfatsoenlijk en overvraagd.’’De wethouder legt er de nadruk op dat er al heel lang is onderhandeld met Kruithof en dat het niet netjes zou zijn als de gemeente zich nu zou terugtrekken. Maar de zware woorden van de VVD doen hem besluiten het hele voorstel voor nader beraad mee terug te nemen naar het college van B. en W. Niet alleen in deze raadscommissie klinkt protest. De aktiegroep 3xbellen laat tot twee keer toe van zich horen: in 1977 en 1978. Zij wijst op het grote tekort aan huurwoningen. Zij vindt dat wethouder Moester zich niet zozeer moreel verplicht moet voelen ten aanzien van Promotion Kruithof O.G. Hij moet zich verplicht voelen om duizenden woningzoekenden aan een betaalbare woning van gemeentewege te helpen. Pas in februari 1978 wordt het badhuis gesloopt door sloopbedrijf Evers uit Deventer. De gemeente biedt het kavel E 77-7 van 400 m2 te koop aan aan Promotion Kruithof O.G. op 26 januari 1978 voor een bedrag van f.135.000,– excl.BTW. Op 5 oktober 1979 wordt er een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een woongebouw van van 3300 m3. Inmiddels is Promotion Kruithof O.G. een fusie aangegaan met Veldpape makelaardij o.g. Door allerlei omstandigheden wordt de bouw steeds uitgesteld. De welstandscommissie Binnenstad en de Provinciale Directie Volkshuisvesting wijzen het bouwplan af ondanks veelvuldig overleg . Bouwbank Stok b.v. te Arnhem die de bouw zou begeleiden gaat failliet. Uit een nota van Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting van 25 februari 1981 blijkt dat de Maatschappij voor Bouwontwikkeling en Bouwbegeleiding Ufkes B.V. te Apeldoorn de taak van Bouwbank Stok b.v. over neemt. Ter Steege’s Bouwbedrijf B.V. te Rijssen zal 15 premie A-woningen bouwen, de bouwkosten zullen incl. BTW f.1.186.844,00 belopen. Aangezien deze woningen met rijkssubsidie worden gebouwd geldt voor dit project een speculatie beding volgens de geldende rijksnormen (21). De eerste bewoners worden in januari 1982 geregistreerd.
Tenslotte
Door de sloop van het badhuis en de verkoop van de grond zijn noch de badhuisbezoekers of het personeel van het badhuis benadeeld. Hetzelfde geldt voor de woningzoekenden naar betaalbare woonruimte. De enige gedupeerden zijn de omwonenden. Zij moeten nu sinds jaar en dag aankijken tegen een onappetijtelijk flatgebouw van drie verdiepingen hoog hetgeen eigenlijk niet past in deze historische omgeving.
Binnensingel 43 koetshuis
Het pand aan de Binnensingel 43 in de Deventer binnenstad is een bijzonder voormalig koetshuis uit 1886, (J. ten Zijthoff). Gelegen achter de statige villa’s van de Singel. Tegenwoordig is het een vrijstaand herenhuis met een opvallende indeling en een rijke historie.

De Binnensingel 96 in Deventer ligt aan de singelrand van de binnenstad, nabij het Rijsterborgherpark. De Binnensingel volgt grotendeels het tracé van de vroegere binnengracht rond de stad. In de 19e eeuw veranderde de singelzone van verdedigingsgebied naar woongebied. Aan en rond de Singel vestigden zich welgestelde Deventenaren met villa’s en herenhuizen. Aan de Binnensingel waren vroeger ook ambachtelijke bedrijven gevestigd; vóór 1870 waren er bijvoorbeeld leerlooierijen waardoor het water sterk vervuild raakte. Later werd de singel gedempt en kreeg het gebied een woonfunctie. Veel huizen in deze omgeving stammen uit de late 19e en vroege 20e eeuw en hebben nog kenmerken zoals hoge plafonds, geveldetails en klassieke indelingen.

RK Arbeidersvereniging St. Jozef
De RK Arbeidersvereniging St. Jozef in Deventer bestond in 1931 als een lokale rooms‑katholieke werkliedenvereniging, (later vaak RK Arbeidersvereniging genoemd) die gebruik maakte van het Sint Jozefgebouw aan de Binnensingel 90. Het functioneren paste binnen de bredere katholieke arbeidersbeweging die sinds Rerum Novarum (1891) overal in Nederland verenigingsgebouwen en St.-Jozefverenigingen had ingericht. Het is gebouwd in 1899. Het ontwerp is van de bekende Deventer architecten G. en W. te Riele.
Het jaar 1931 viel midden in de crisisjaren. De Rooms-Katholieke arbeidersbeweging speelde in die tijd een cruciale rol in het leven van de katholieke arbeiders in Deventer. Het Sint Jozefgebouw fungeerde als het sociale, culturele en politieke hart van de vereniging. Men organiseerde er bijeenkomsten, scholing, en culturele avonden om de arbeiders te verheffen en te beschermen tegen de invloeden van het opkomende socialisme.

