Brinkgreverweg
Viaduct over de Brinkgreverweg in Deventer opgeblazen
Tijdens de terugtocht in april 1945 hebben de Duitsers het viaduct over de Brinkgreverweg in Deventer opgeblazen om de oprukkende geallieerden te vertragen. Dit gebeurde in dezelfde periode dat ook de IJsselbruggen en andere verbindingswegen in en rond de stad werden vernietigd.
De explosie veroorzaakte aanzienlijke schade aan de spoorwegovergang en de omliggende infrastructuur. Kort na de bevrijding door de Canadezen werd er provisorisch herstel uitgevoerd om de stad weer bereikbaar te maken.

Brinkgreven
Landgoed Brinkgreven is een voormalig landgoed tussen de oude stad Deventer en het dorp Schalkhaar aan de Brinkgreverweg 248.

De ontstaansgeschiedenis
Brinkgreven ligt ruim 1,5 kilometer ten noordoosten van het oude stadshart van de Hanzestad Deventer, langs de oude route richting Raalte en Schalkhaar. Het gebied heeft zijn naam vermoedelijk te danken aan Herman Brinkgreeff, die in 1583 de eigenaar was. Aan het eind van de 18e eeuw werd op het terrein een landgoed gesticht, dat eind 19e eeuw in bezit kwam van een psychiatrische instelling. Het was toen waarschijnlijk een klein landgoed of buitenplaats voor welgestelde stadsbewoners. De basis voor het huidige hoofdgebouw werd in 1786 gelegd door de burgemeester Arnold Jacob Weerts. Hij ging er permanent wonen en werd herenboer en boomkweker. Na zijn overlijden werd het huis in 1828 verkocht aan luitenant-generaal Cort Heyligers *, welke het huis liet aanpassen in neoclassicistische stijl. Zijn dochter, mevrouw Eksteen-Heyligers, liet in 1858 op het terrein een gedenknaald plaatsen voor haar vader en haar in 1857 overleden man, P.M. Eksteen. Brinkgreven werd door de omwonenden nog lang het Generaalshuis genoemd, en het park met het monument Het Generaalsbos.
In 1874, na het overlijden van de eigenaresse Henriette Eksteen-Cort Heijligers, kocht de Stichting Elisabeth Gasthuis het landgoed Brinkgreven met als doel er een buitengesticht te vestigen. De patiënten van het gasthuis konden zo uit de benauwde behuizing in de stad naar het buitengebied verhuizen, waar ze in de gezonde buitenlucht konden leven en werken. Voor het park werd tuinarchitect Leonard Springer gevraagd een ontwerp te maken. In 1892 diende Springer een tuinontwerp in landschapsstijl in. Vervolgens liet hij tal van bijzondere soorten bomen planten. Het landgoed werd ontsloten vanaf de huidige Brinkgreverweg (nabij de splitsing van de Raalterweg) en was gericht op deze weg. Vanuit het midden van het voormalige herenhuis is een sterke as ontwikkeld, de zogenaamde geslachtsas. Deze as scheidde de mannen van de vrouwen op het terrein en vormde tevens de symmetrieas van de bebouwing.
Psychiatrisch ziekenhuis
De instelling was jarenlang bekend als Psychiatrisch ziekenhuis Brinkgreven. In dit psychiatrisch ziekenhuis worden mensen die geestesziek zijn verpleegd en behandeld.
In de middeleeuwen werden psychiatrische patiënten in Deventer verzorgd in het St. Elisabethgasthuis aan de Bagijnenstraat.
In de 19e eeuw werd gesproken over een krankzinnigengesticht. De mensen in Deventer noemden het meestal een gekkenhuis. De oudste gebouwen die er nu nog staan behoorden vóór 1874 tot een groot landgoed van 70 hectare. Het werd aangekocht door de stichting St. Elisabethsgasthuis.
In 1894 verhuisden groepen patiënten van het binnengesticht in de Bagijnenstraat naar het buitengesticht Brinkgreven. Brinkgreven bezat ook een boerderij en grote tuinen. Het werd belangrijk gevonden om de patiënten regelmatig in de buitenlucht te laten werken.
In 1900 is het voormalig landgoed onder leiding van tuinarchitect Leonard Springer omgevormd tot psychiatrisch ziekenhuis, waarbij hij de oude elementen met nieuwe gebouwen heeft gecombineerd in een parkachtige omgeving. In 1935 heeft Springer daarvoor opnieuw een uitbreidingstekening gemaakt. Maar Brinkgreven wordt tegenwoordig nauwelijks meer beschouwd als landgoed, wellicht omdat de situatie daar voortdurend verandert, terwijl op de landgoederen het tijdsverloop vooral zichtbaar wordt door het ouder worden van de bomen.
Pinel was een boerderij op landgoed uit 1829. De boerderij functioneerde tot midden twintigste eeuw als boerenbedrijf van psychiatrisch ziekenhuis Brinkgreven. Het is nu een Gemeentelijk monument.

Gedurende de laatste vijftig jaar is Brinkgreven flink uitgebreid met verschillende gebouwen. Ruim een eeuw later werd de streng symmetrische opzet van Springer losgelaten en werden verschillende nieuwe gebouwen aan de rand van het terrein gerealiseerd. Deze nieuwe bebouwing, veelal tussen 1980 en 1990 verschenen, is als het ware in een ring om het oorspronkelijke landgoed gesitueerd. De autonome gebouwen hebben geen duidelijke relatie met elkaar en vormen geen onderdeel van de psychiatrische instelling. De gebouwen zijn met elkaar verbonden door een rijroute en diverse langzaamverkeersroutes. Er zijn nog enkele monumentale panden aanwezig. Deze kunnen weliswaar niet meer in de oorspronkelijke structuur worden herkend, maar geven nog wel de tijdgeest van het terrein weer.
Vindplaats uit de Tweede Wereldoorlog
Op het terrein zijn sporen gevonden van een Duitse antie-tankgracht. Sporen uit de Tweede Wereldoorlog maken deel uit van een bodemarchief, waarvan de herinneringswaarde nog hoog is. Ook zijn er vier middeleeuwse sporen gevonden in het meest oostelijke gedeelte.
De hoofdontsluiting is eind 20e eeuw verplaatst van de Brinkgreverweg naar de Nico Bolkesteinlaan aan de zuidzijde van het terrein, waaraan ook het aangrenzende nieuwe ziekenhuis is gelegen.
Huidige Bebouwing
De huidige bebouwing op Brinkgreven bestaat uit diverse zorg- en zorggerelateerde gebouwen van Dimence. Deze bebouwing bevat de programma’s zorggerelateerd wonen en klinieken. De bebouwing is zeer ruim opgezet en het geheel heeft een parkachtige uitstraling. In algemene zin is aangegeven dat de door Springer ontworpen hoofdas de drager is van Brinkgreven en dat bij ontwikkelingen zuinig moet worden omgegaan met de oude bospercelen op het terrein. De recentere gebouwen zijn gesitueerd in het zuidoosten van het terrein, de oudere (monumentale) gebouwen staan vooral in de noordelijke zone. De zorgpaviljoens lijken willekeurig geplaatst op het terrein, waardoor een eenduidige stedenbouwkundige structuur ontbreekt.
In 2008 is een groot deel van Brinkgreven ondergebracht bij het nieuwe Deventer Ziekenhuis in de Rielerenk. Dat gedeelte heet nu: Psychiatrisch Centrum Rielerenk.
De Dimence Groep is de huidige eigenaar en sinds 2013 zetelt hun raad van bestuur in het voormalige landhuis. Inmiddels is het landgoed grotendeels ingekapseld in de gegroeide stad Deventer.
Bewoners
• 1787 – Arnold Jacob Weerts
• 1828 – Gijsbertus Martinus Cort Heijligers x P.M. Eksteen
Huidige doeleinden
Psychiatrisch complex De Brinkgreven
Opengesteld
• Park is vrij toegankelijk
• Het huis is niet toegankelijk
* CORT HEIJLIGERS, Gijsbertus Martinus, legerofficier (Heusden 26-7-1770 – Huize ‘Brinkgreve’ bij Deventer 16-11-1849). Zoon van Roelof Heijligers, legerarts, later stadschirurgijn, en Anna Euphemia Cort. Gehuwd op 6-3-1801 met Henriëtte Brouwer (?-1803). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na haar overlijden (3-7-1803) gehuwd op 6-3-1823 met Wilhelmina Carolina Elisabeth Delbeek (1801-1880). Dit huwelijk bleef kinderloos.
Samen met zijn twee broers en twee zusters bracht Gijsbert Cort Heijligers zijn vroege jeugdjaren door in het vestingstadje Heusden, als de oudste zoon van een chirurgijnmajoor bij een daar gelegerd infanteriebataljon. Wellicht in verband met zijn groeiende sympathie voor de Patriotten nam vader Heijligers in 1782 ontslag uit het Staatse leger, waarna hij in Deventer een aanstelling kreeg als stadschirurgijn en als lector aan het Athenéum Illustre aldaar. Over het onderwijs dat Gijsbert in deze stad heeft genoten, is niets bekend.
Gijsbert was bijna zestien jaar oud toen hij op 2 juni 1786 als vaandrig in dienst trad bij het Regiment Mariniers nr. 21 van de Rijngraaf van Salm. Toen deze eenheid in 1787, het jaar waarin de politieke spanningen in de Republiek der Verenigde Nederlanden hun hoogtepunt bereikten, de Patriotsgezinde Van Salm afviel en de kant van de Stadhouder koos, was dit voor Gijsbert reden haar te verlaten. Met behulp van zijn vader slaagde hij er in september 1787 in een dienstverband in het Legioen Van Salm te bemachtigen. Tijdens de Pruisische inval die zich een maand later voltrok, maakte Gijsbert deel uit van de bezetting van de stelling van Amstelveen. Zij hield een aantal dagen stand tegen Pruisische aanvallen en staakte de strijd pas nadat zij volledig was omsingeld. Ondanks een verwonding kon hij aan krijgsgevangenschap ontsnappen, en samen met tal van andere Patriotten zocht hij vervolgens een goed heenkomen naar Frankrijk. Op 31 oktober 1787 werd hij formeel uit Hollandse dienst ontslagen.
Op 1 maart 1788 trad Cort Heijligers als tweede luitenant toe tot het Régiment Royal Liégeois, dat kort tevoren door de prins-bisschop van Luik was opgericht om in het leger van de Franse koning te dienen. Dat Cort Heijligers zich bij dit royalistische regiment aansloot, wees erop dat hij zijn wens om een loopbaan als beroepsmilitair te vervolgen liet prevaleren boven zijn politieke opvattingen. Zijn diensttijd bij de Luikerwalen duurde ruim vier jaar. In Avesnes en andere garnizoensplaatsen bekwaamde hij zich – sinds 1 september 1789 eerste luitenant – in de Franse taal, vocht hij eenmaal een duel uit en leerde hij in de praktijk het vak van troepenofficier in vredestijd. Tijdens deze Franse jaren ervoer hij hoe zijn regiment, dat – ondanks een tussentijdse naamswijziging – zijn royalistisch karakter behield, in het revolutionaire Frankrijk steeds meer een anachronisme werd, met als gevolg dat het op 1 september 1792 werd ontbonden. Brodeloos en platzak keerde Cort Heijligers terug naar Deventer.
Op 9 juli 1795 begon een nieuwe fase in Cort Heijligers’ militaire loopbaan. Hij werd toen kapitein bij het 4de Bataljon Jagers in het leger van de Bataafse Republiek. Deze plaatsing bracht hem naar Groningen, waar zijn eenheid een taak kreeg bij de kustbewaking. Met zijn bataljon raakte hij in 1799 zijdelings betrokken bij de strijd tegen het Brits-Russische invasieleger in Noord-Holland en maakte hij van 1800 tot 1801 de weinig enerverende winterveldtocht tegen de Oostenrijkers in midden-Duitsland mee.
In deze jaren was er in Cort Heijligers’ privéleven sprake van een snelle opeenvolging van hoogte- en dieptepunten. In 1801 trad hij in het huwelijk met Jetje Brouwer uit Deventer, waaruit anderhalf jaar later een dochter werd geboren. Maar al in de zomer van 1803 overleed zijn vrouw aan tuberculose. Na haar dood richtte hij zich nog sterker dan voorheen op zijn militaire carrière.
Een belangrijke stap in zijn carrière maakte Cort Heijligers op 28 juni 1805 met zijn benoeming tot commandant van een compagnie jagers in de nieuw opgerichte Garde van raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck (1805-1806) in Den Haag, een eerste concreet bewijs dat hij als troepenofficier bovengemiddeld presteerde. Tijdens het Koninkrijk Holland (1806-1810) steeg zijn ster snel. Na zijn benoeming tot majoor op 31 december 1805 en tot kolonel op 23 maart 1808 werd hij door koning Lodewijk op 7 augustus 1809, op 39-jarige leeftijd, bevorderd tot generaal-majoor der infanterie. Zijn ijver en militaire vakmanschap hadden hem zo ver gebracht. Als jong en veelbelovend opperofficier moest hij evenwel het echte bewijs van zijn kunde nog leveren, want hij bezat nog nauwelijks gevechtservaring.
Toen Cort Heijligers het bericht van zijn bevordering tot generaal-majoor vernam, bevond hij zich in West-Brabant, waar koning Lodewijk een troepenmacht had verzameld in reactie op de op 30 juli begonnen Britse landingen op Walcheren en elders in Zeeland. Deze expeditie, die tot doel had grootschalige vernielingen in de haven van Antwerpen aan te richten, liep uit op een mislukking. Dit was overigens meer te wijten aan de Zeeuwse koortsen die onder de Britse troepen huishielden dan aan de militaire tegenmaatregelen van de Koning. Toch wist Cort Heijligers zich door moedig en kordaat optreden te onderscheiden. Vooral zijn actie om op 4 september, tijdens een hevig onweer, met zo’n tachtig karabiniers de Kreekrak te doorwaden, om zo snel het fort bij Bath te kunnen innemen, was een waagstuk. Vanwege zijn kleine gestalte moesten zijn manschappen hem daarbij voor een deel het hoofd boven water houden. Deze tot de verbeelding sprekende onderneming – die overigens in militair opzicht van weinig betekenis was – werd door Willem Bilderdijk in zijn gedicht ‘Bath hernomen’ (1809) bejubeld. Ook elders in Zeeland gaf Cort Heijligers persoonlijk leiding aan enkele kleinschalige acties.
Na de inlijving van Noord-Nederland bij het Keizerrijk ging Cort Heijligers op 11 november 1810 in de rang van brigadegeneraal over in Franse dienst. Hij uitte zich in zijn correspondentie dankbaar dat hij deel mocht gaan uitmaken van het roemruchte leger van Napoleon en hoopvol dat hij kon laten zien wat hij waard was. Die kans kreeg hij vrijwel onmiddellijk, want op 24 december werd hij naar Italië gezonden om daar het commando op zich te nemen over een bij Rome gelegerde infanteriebrigade. Nadat Napoleon de Kerkelijke Staat in de zomer van 1809 bij zijn keizerrijk had ingelijfd, was dit gebied namelijk erg onrustig. Als gevolg van een aantal Franse maatregelen – waaronder de afkondiging van de dienstplicht en de sluiting van kerken en kloosters – was het banditisme er sterk toegenomen. Cort Heijligers kreeg in 1811 de taak vanuit zijn standplaats Frosinone in een gebied ten zuiden van Rome orde en rust te herstellen. De Franse gouverneur-generaal van de desbetreffende departementen verwachtte dat deze Hollandse vechtersbaas korte metten zou maken met de bandieten.
Cort Heijligers zou het in hem gestelde vertrouwen niet beschamen, want hij trad inderdaad kordaat op. Voortdurend waren er arrestaties, doodvonnissen en terechtstellingen van (vermeende) bandieten. De Franse gouverneur-generaal toonde zich in zijn brieven naar Parijs erg tevreden over zijn ondercommandant: ‘Le général Heyligers fait tout ce qu’on peut attendre’. Andere Franse autoriteiten, onder wie de chef van de politie in Rome, waren minder gecharmeerd van zijn harde optreden. Zij beschuldigden hem van wreedheden en van het vastzetten van vele onschuldige burgers, waardoor hij de bevolking verder tegen zich in het harnas joeg. Hoe het ook zij, Cort Heijligers boekte weliswaar enig succes – zo hield hij de hoofdwegen redelijk veilig – maar hij slaagde er niet in het gebied werkelijk te pacificeren.
Cort Heijligers stond de ondankbare jacht op bandieten snel tegen. Veel liever zou hij ‘au milieu des braves’ tegen echte soldaten vechten. Toen hij vernam dat Napoleon bezig was een grote strijdmacht te formeren voor een veldtocht tegen Rusland, richtte hij zich op 4 april 1812 tot de minister van Oorlog met het verzoek om overplaatsing naar de Grande Armée. Hij kreeg zijn zin. Op 5 augustus vernam hij dat hij was benoemd tot brigadecommandant in het legerkorps van Napoleons stiefzoon Eugène de Beauharnais, de onderkoning van Italië. Met een klein gevolg vertrok Cort Heijligers vervolgens uit Italië om aansluiting te zoeken bij de hem toegewezen brigade, die inmiddels als onderdeel van Napoleons strijdmacht aan de opmars naar Rusland was begonnen.
Toen Cort Heijligers zich eind oktober bij zijn brigade aansloot, bevond deze zich al op de terugtocht uit Moskou. Hij kwam terecht in een leger dat de wanhoop nabij was. Onder deze omstandigheden betoonde hij zich andermaal een moedig en koelbloedig aanvoerder. Op 15 november wist hij bij Krasnoï de restanten van een zwaar aangeslagen Italiaans infanterieregiment zover te krijgen dat zij een verdedigende positie innamen om andere troepen tegen vijandelijke cavaleriecharges te beschermen. Bij deze actie raakte hij door enkele sabelhouwen gewond. De volgende dag werd hij door de Russen krijgsgevangen gemaakt en overgebracht naar de vesting Tambov. De daaropvolgende periode van gedwongen nietsdoen duurde circa anderhalf jaar. Pas op 15 augustus 1814 keerde hij terug in Frankrijk.
In Parijs trachtte Cort Heijligers een betrekking te krijgen in het leger van het door de geallieerden aan de macht gebrachte Bourbons, terwijl hij tevens – maar tevergeefs – pogingen ondernam een groot bedrag aan achterstallig salaris uitbetaald te krijgen. Toen hem duidelijk was geworden dat er voor hem onder de Franse koning Lodewijk XVIII geen toekomst was, nam hij op 18 december 1814 ontslag uit Franse dienst en keerde hij terug naar zijn vaderland. Meer dan een jaar na de Oranje-omwenteling werd hij daar weliswaar op 18 januari 1815 als generaal-majoor opgenomen in het leger van soeverein vorst Willem Frederik, maar voorlopig bleef hij op non-activiteit. Bij de massale generaalsbevorderingen van 21 april kreeg hij de rang van luitenant-generaal, maar pas op 13 juli – dat wil zeggen één maand na de slag bij Waterloo – ontving hij zijn eerste (territoriaal) commando en wel dat over het 2de Militair Arrondissement in Mons.
In de jaren hierna kwam er bij de leiding van het nieuwe Nederlandse leger meer waardering voor de door Cort Heijligers in Franse dienst opgedane ervaring en praktijkkennis. Zo werd hij op 11 juli 1816 voorzitter van een commissie die voor de vier wapens van het leger nieuwe reglementen voor de velddienst moest ontwerpen. Op 21 december 1818 werd hij benoemd tot commandant van het 2de Groot Militair Commando, wat inhield dat hij het bevel ging voeren over alle in de provincies Drenthe, Friesland, Gelderland, Groningen en Overijssel gelegerde legeronderdelen. Cort Heijligers standplaats werd zijn oude woonplaats Deventer. Hoewel hij nog vaak van huis was om in zijn gezagsgebied inspecties uit te voeren, bracht deze functie meer rust en routine in zijn leven. In 1823 trad hij voor de tweede maal in het huwelijk met de 22-jarige Betsy Delbeek, en in 1828 kocht hij het even ten noorden van Deventer gelegen landgoed ‘Brinkgreve’ aan.
De Belgische Opstand en afscheiding vormden het sluitstuk van Cort Heijligers’ militaire loopbaan. Hij opereerde daarbij in de achterhoede en voerde vooral het bevel over haastig getrainde schutterijbataljons. Op 26 september 1830 kreeg hij van prins Frederik de opdracht met zijn reservedivisie op te rukken tot nabij Brussel. Toen hij een aantal dagen later vernam dat de Nederlandse troepen deze stad hadden moeten verlaten, besloot hij zijn opmars door ‘vijandelijk’ gebied niettemin voort te zetten en zich bij de hoofdmacht te voegen. Hij slaagde in deze opzet, waarbij zijn in Italië opgedane ervaring hem goed van pas kwam. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht, van 2 tot 12 augustus 1831, trok Cort Heijligers aan het hoofd van de reservedivisie in het voetspoor van de 3de Divisie over de as Eindhoven-Hasselt in zuidelijke richting op, met als belangrijkste opdracht de oostelijke flank tegen het Belgische Maasleger te beschermen. Zijn belangrijkste wapenfeit was het gevecht bij Houthalen op 6 augustus, waar hij ten koste van zestien gesneuvelden standhield tegen een vijandelijke overmacht.
Tot 1834 zou Cort Heijligers bij het mobiele leger in Noord-Brabant blijven. De waardering voor zijn verdiensten bleek uit het feit dat hij bij zijn pensionering op 13 februari 1838 nog tot generaal der infanterie werd bevorderd. De laatste jaren van zijn leven woonde hij op ‘Brinkgreve’ – door de plaatselijke bevolking nog lang ‘Het Generaalshuis’ genoemd – waar hij eind 1849 op 79-jarige leeftijd overleed.
Gijsbertus Martinus Cort Heijligers was een getalenteerd troepenofficier, moedig en vastberaden te velde. Zijn carrière – die hem financieel geen windeieren legde – beperkte zich tot het zuiver militaire domein. Hij voerde trouw en kundig uit wat het staatsgezag van hem verlangde, zonder zelf ooit enige politieke denkbeelden of ambities te koesteren. Zijn aanvankelijke sympathie voor de Patriotten was, achteraf bezien, dan ook niet meer dan een ‘jeugdzonde’. Na zijn overlijden in 1849 trad Cort Heijligers toe tot het kleine pantheon van bekende Nederlandse militairen.

1907 – Brinkgreven met visvijver

1907 – Manlijke patienten van de Brinkgreven op ziekenzaal

1907 – Patienten van de Brinkgreven bezig met grondverzet

1907 – Patienten van de Brinkgreven eten in de tuin

1907 – Patienten van de Brinkgreven op ziekenzaal

1907 – Stal van de Boerderij op de Brinkgreven
Cafe de Klomp

Café De Klomp aan de Brinkgreverweg 92 in Deventer was vroeger een typisch en berucht bruin café dat diep geworteld was in de lokale volkscultuur. Het stond bekend om zijn oer-Hollandse karakter, maar ook om de turbulente sluiting in 2004.
Sfeer en Uitbaters
In de jaren 80 en 90 beleefde het café een gezellige en actieve periode:
- Bekende eigenaren: Onder andere Bé van Egmond en later het duo Walter en Carla runden de zaak.
- Kroegleven: Het café deed fanatiek mee aan de lokale dartcompetitie. Het interieur was ouderwets gezellig, gevuld met rook (zoals toen gebruikelijk), meters bier en luide rockmuziek zoals Deep Purple.
café “de Groninger Boer”
Tussen 1942 en 1944 bood het café “de Groninger Boer” aan de Brinkgreverweg een veilige schuilplaats aan vijf Joodse onderduikers uit Amsterdam. Het café werd destijds gerund door Roelof Kloen en zijn vrouw Alie Kloen-van Vondel, die boven de zaak woonden. Zij hielpen deze onderduikers volledig op eigen initiatief, zonder aangesloten te zijn bij een georganiseerde ondergrondse beweging.
Het oorspronkelijke café bestaat al lang niet meer, maar het pand aan de Brinkgreverweg herinnert nog altijd aan deze lokale oorlogsgeschiedenis:
Alie Kloen-van Vondel woonde samen met haar man Roelof boven de zaak. Blijkens een brief gedateerd 18 maart 1994 heeft zij vijf Amsterdamse Joden een schuilplaats geboden van 1942 tot 1944. Ze schrijft: “Ik heb begrepen dat die Joden zo gauw mogelijk al die ellende wilden vergeten, en daarom nooit meer iets van zich hebben laten horen. Jammer, maar daar heb ik wel begrip voor. En: We waren niet aangesloten bij een organisatie, we deden het gewoon. Klaar af. We hebben nooit één briefje ontvangen, omdat we niet bij de ondergrondse aangesloten waren. We deden dit op ons eigen houtje.”
Destijds was hier boven het café een verdieping met mooie kamer, keukentje en slaapkamer en een zolder. Daar werd niet alleen gewoond door de caféhoudster en haar man, maar ook nog door huurders, vaak Landbouwstudenten, voor fl. 80,- per maand. Toen zich in hoge nood de Amsterdamse Joden bij haar meldden en om onderdak vroegen heeft zij die in huis genomen voor hetzelfde tarief. We wilden geen woekerwinst maken, zoals dat wel eens gebeurde bij Joden. Achttien maanden hebben die mensen daar gezeten in de mooie kamer en op zolder. De hoofdbewoners woonden in het keukentje. Mevrouw had een zwager die SS-er was. Die heeft de Joden verraden, maar daar kregen ze op tijd bericht van. De Joden zijn toen hals over kop gevlucht, vonden onderdak bij T en D aan de Rielerweg. Het echtpaar is een hele nacht bezig geweest om alle sporen te laten verdwijnen. Alie was toen acht maanden zwanger. Bij de inval de volgende dag heeft zij haar dikke buik de moffen eens extra toegestoken en met een heel onnozel gezicht gezegd ‘U denkt toch niet dat ik met mijn zwangere buik Joden in huis zou halen?’ Dat geloofden ze. Alleen moet ik er niet aan denken wat er was gebeurd als…..
Een getuige (1933, vroegere buurtbewoner) kent het café en bevestigt het verhaal uit de brief. Hij vertelt tevens dat tijdens de bezetting in de driehoek Brinkgreverweg / Zwarte Hoopstraat / Bierstraat van de achtertuinen alle schuttingen zijn weggehaald: handig, niet alleen voor Joden en onderduikers, maar ook voor bezoekjes over en weer tijdens sperrtijd. Direct na de oorlog werden de oude grenzen overigens weer hersteld!
In februari 2015 meldt zich, met bijgaande oude foto, de dochter van Roelof Kloen (1903) en Alie van Vondel (1903). Zij is hun enige kind en werd geboren op 24 maart 1945. Hieruit volgt dat de in bovenstaande brief (die getuige nooit gezien heeft) beschreven razzia niet plaatsvond in 1944 maar in februari 1945. Van haar moeder heeft zij altijd gehoord dat de Amsterdamse onderduikers waren: een Joodse vrouw met drie kinderen, genaamd Leo, Stella en Willy.

Spoorwegviaduct
In 1901 is het spoorwegviaduct aan de Brinkgreverweg in Deventer opgeleverd, met een totale bouwsom van circa f 17.000.
Rond 1901 was er bij de Brinkgreverweg nog geen spoorwegviaduct zoals nu. In die tijd lag daar een overweg en voetbrug bij de spoorlijnen en de twee stations.
Voor de komst van het viaduct was er een hoge houten voetgangersbrug (“hoge brug”) over de rails gebouwd, zodat reizigers niet hoefden te wachten voor gesloten overwegbomen bij het overstappen tussen de stations. Zij konden overstappen tussen de lijnen van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij en het Staatsspoor. De stations van deze maatschappijen lagen dicht bij elkaar; het HIJSM-station stond ongeveer waar later het viaduct kwam.
Het huidige stenen viaduct is ontworpen in een stijl die nauw aansluit bij de rationalistische architectuur van de latere stationsbebouwing uit 1920, wat het geheel een hoge cultuurhistorische waarde geeft.
Pas later werd de spoorbaan verhoogd en kwamen er echte spoorwegviaducten. Voor Deventer wordt vermeld dat de verhoogde spoorbaan meerdere viaducten kreeg, waaronder dat bij de Brinkgreverweg, dat in zijn oorspronkelijke vorm uit 1919 dateert.

Opgang naar het station HIJSM


