Colmschate
De herkomst van de naam Colmschate is onzeker; het kan gaan om Colm-schate, waarbij “schate” duidt op een beboste hoek in het zandgebied, of om Colms-cate, waarbij “cate” op de bewoning door keuterboeren of eventueel kolenbranders (colman) duidt. De afleiding uit “Kollenschoat” (schuur) kan naar het rijk der fabelen worden verwezen.

Station Colmschate 1935
Cisterciënzer klooster
In 1225 werd bij Deventer een cisterciënzer klooster gesticht, ‘Horst’ geheten. Has een belangrijk middeleeuws cisterciënzer nonnenklooster ten zuidoosten van Deventer. Het klooster lag in het voormalige schoutambt Colmschate aan de Schipbeek, precies op de historische grens tussen Overijssel en Gelderland.
In deze abdij woonden veel zusters uit de Duitse abdij van Hönnepol; misschien verklaart dat de naam ‘Ter Hunnepe’. In 1253 brandde het klooster af, maar in 1266 kregen de kloosterzusters grond op ‘Somersvoert’, gelegen in de buurtschap Lage Weteringen. Het nieuwe klooster heette ‘Sancta Maria in Horst’ of ‘Mariënhorst’. Er woonden voornamelijk dochters uit adellijke families uit Overijssel en Gelre. Rond 1280 telde het klooster ongeveer dertig nonnen.
Het klooster groeide uit tot een machtige economische factor in Salland. Het bezat circa 50 boerderijen, twee watermolens, een windmolen en uitgestrekte landerijen in Salland en de omgeving van Bathmen. De abdis had daardoor ook bestuurlijke invloed, bijvoorbeeld bij de benoeming van de pastoor van Bathmen.
De kloosterregels werden niet altijd even strikt nageleefd, en de toezichthoudende abt moest soms ingrijpen. Ook Geert Groote wilde dat de zusters zich beter aan de regels hielden.
Overstromingen en oorlogsgeweld dwongen de zusters menigmaal het klooster te ontvluchten. De zusters waren toen al overgegaan tot het protestantisme en tijdig gevlucht naar hun refugium (vluchthuis) binnen de veilige stadsmuren van Deventer. Dit stadsverblijf stond bekend als het “Der Nonnen Huys” aan de Menstraat 22.
De Reformatie zorgde voor onrust, vooral na 1572, toen het klooster door soldaten werd geplunderd. Tijdens het beleg van Rennenberg in 1578 staken soldaten het klooster in brand.
De bezittingen van het klooster bleven tot 1813 overeind als een wereldlijk stift, waarna de gronden definitief werden geveild. Tussen 1915 en 1919 zijn de laatste resten van het klooster en het poortgebouw afgebroken.
In 1225 werd bij Deventer een cisterciënzer klooster gesticht, ‘Horst’ geheten. Has een belangrijk middeleeuws cisterciënzer nonnenklooster ten zuidoosten van Deventer. Het klooster lag in het voormalige schoutambt Colmschate aan de Schipbeek, precies op de historische grens tussen Overijssel en Gelderland.
In deze abdij woonden veel zusters uit de Duitse abdij van Hönnepol; misschien verklaart dat de naam ‘Ter Hunnepe’. In 1253 brandde het klooster af, maar in 1266 kregen de kloosterzusters grond op ‘Somersvoert’, gelegen in de buurtschap Lage Weteringen. Het nieuwe klooster heette ‘Sancta Maria in Horst’ of ‘Mariënhorst’. Er woonden voornamelijk dochters uit adellijke families uit Overijssel en Gelre. Rond 1280 telde het klooster ongeveer dertig nonnen.
Het klooster groeide uit tot een machtige economische factor in Salland. Het bezat circa 50 boerderijen, twee watermolens, een windmolen en uitgestrekte landerijen in Salland en de omgeving van Bathmen. De abdis had daardoor ook bestuurlijke invloed, bijvoorbeeld bij de benoeming van de pastoor van Bathmen.
De kloosterregels werden niet altijd even strikt nageleefd, en de toezichthoudende abt moest soms ingrijpen. Ook Geert Groote wilde dat de zusters zich beter aan de regels hielden.
Overstromingen en oorlogsgeweld dwongen de zusters menigmaal het klooster te ontvluchten. De zusters waren toen al overgegaan tot het protestantisme en tijdig gevlucht naar hun refugium (vluchthuis) binnen de veilige stadsmuren van Deventer. Dit stadsverblijf stond bekend als het “Der Nonnen Huys” aan de Menstraat 22.
De Reformatie zorgde voor onrust, vooral na 1572, toen het klooster door soldaten werd geplunderd. Tijdens het beleg van Rennenberg in 1578 staken soldaten het klooster in brand.
De bezittingen van het klooster bleven tot 1813 overeind als een wereldlijk stift, waarna de gronden definitief werden geveild. Tussen 1915 en 1919 zijn de laatste resten van het klooster en het poortgebouw afgebroken.

Colmschaterstraatweg en Cröddenbrug

Colmschaterstratweg

Koning aan de Colmschaterstratweg
Rietmansbrug

Fam.Schepers-brugwachters van de Rietmansbrug
De verbinding in de Colmschaterstraatweg tussen Colmschate en Deventer. Met deze brug kon het Overijssels kanaal worden overgestoken. Het was zoals vroeger gebruikelijk eerst een vlotbrug. De brug is vernoemd naar Hendrikus Rietman die in de katerstede naast de brug kwam te wonen en ook de brugwachter was. De laatste brugwachters van de Rietmansbrug, de familie Schepers, waren familie van de eerste brugwachter.

De oude Rietsmansbrug in het Overijssels kanaal


Cröddenbrug
De verbinding tussen buurtschap de Vijfhoek en Schalkhaar en lag bij Café de Cröddenbrug. Deze brug was eerst een vlotbrug en werd later een hefbrug en lag aan de noordwestkant van Colmschate. Hij was bedoeld om het Overijssels kanaal over te steken.

Vlotbrug Croddenbrug in 1962 bij Restaurant Hagen

Vlotbrug bij Cafe Croddenbrug Hagen

De oude Croddenbrug-vlotbrug over het Overijssels-kanaal bij cafe-restaurant Hagen. Hier in functie ten behoeve van de scheepvaart

Oude vlotbrug bij Cafe Hagen Croddenbrug 1964

De Croddenbrug over het Overijssels kanaal kort na het-plaatsen van de nieuwe brug 1964 Op de achtergrond cafe restaurant Hagen
Café bij de brug
Het café Cröddenbrug van kroegbaas Jan Hagen stond bij, uiteraard, de Cröddenbrug. Bij het café was ook een camping gevestigd met trekkershutten, verhuur van kano’s en waterfietsen.

Na zijn huwelijk in 1917 met schippersdochter Joanna Mensink kwam schipper en koopman Antonius Hagen uit Raalte naar de Cröddenbrug. Naast het verhandelen van turf dreef hij een café met de toepasselijke naam De Cröddenbrug.
Hagen had twee turfschepen om zelf turf uit de buurt van Vriezenveen te halen. Rechts naast het café en aan de andere kant van de Oerdijk stonden grote turfschuren. In het begin van de vorige eeuw werden de vrachtschepen bij ongunstige wind door paarden voortgetrokken. Langs het kanaal was daarvoor een jaagpad aangelegd. Hierover liep het aangespannen paard onder begeleiding van een jager: meestal de schipper, zijn vrouw of één van de kinderen.
Indien er geld was, kon voor het jagen een paard met een begeleider worden ingehuurd. De jagers sliepen bij Hagen in het zogenoemde jagerskamertje: een speciaal kamertje op de deel, dicht bij de gestalde paarden.
Brugwachters
Hagen was ook de aangewezen persoon voor het opendraaien van de vlotbrug. Zoon Jan Hagen sr. zette de zaak van zijn vader voort. Hij trouwde in 1941 met Marie Revenberg. Met ingang van 1 juli 1954 werd zij door de Raad van Commissarissen van de MOK officieel benoemd tot brugwachteres van de Kroddenbrug (!) op een bezoldiging van f 500,- en het behoud van de brugcenten. Deze werden van de schippers geïnd met behulp van een klomp die aan een vishengel was bevestigd; regelmatig vielen hierbij de brugcenten naast de klomp in het kanaal.
Marie heeft 34 jaar lang de brug opengedraaid voor de schepen, soms wel tien keer op een dag. Zij deed dit voor een habbekrats en vaak in weer en wind. Aan het eind van de jaren vijftig werd steenkool de gangbare brandstof. Hierdoor liep de verkoop van turf sterk terug. Ter compensatie begon Jan Hagen in het voorjaar van 1960 met een familiecamping. Ruim twee jaar later stopte hij met de turf- en brandstoffenhandel.

Benoeming Marie Hagen-Revenberg tot brugwachteres Cröddenbrug
De kleinzoon van Antonius Hagen, Jan Hagen jr., volgde zijn vader op. In verband met de aanleg van de N348 werd Jan Hagen jr. genoodzaakt om hier met zijn bedrijf te stoppen. In de zomer van 2003 zette hij er een punt achter. Aan het eind van dat jaar werden het pand en de camping gesloopt. Daarmee verdween niet alleen een karakteristieke pleisterplaats aan het Overijssels Kanaal, maar ook één van de oudste cafés aan de rand van het dorp. Jan Hagen jr. kreeg van de gemeente Deventer overigens een aanbod om aan de overkant verder te gaan, maar zag daarvan af.

Cafe de Croddenbrug Vijfhoek-Colmschate
Huis De Achterhoek, Colmschate

Status:
Ligging: Colmschaterstraatweg 9, 7423 RE , Colmschate
Eerste vermelding: 1779
Eigendom: particulier
Openstelling: nee|Gebouwen: Herenhuis uit ca 1770, verbouwing 1816
Koetshuis uit ca.1850
Landschappelijke vijver ca 1823 een slingerende vijver ca 1823
Twee bruggen over de lange slingervijver
In 1922 werd het geheel geveild. (zie foto)
Er hoorden twee boerderijen tot het landgoed: de Buitenkamp en Erve de Achterhoek.

Huis De Achterhoek is gelegen op het gelijknamige landgoed in Colmschate, Gemeente Deventer. Van oorsprong stond hier een boerderij die later uitgroeide tot een landhuis.
Het buitengoed de Achterhoek bestond uit een herenhuis, Huis de Achterhoek, en de erven Achterhoek en Buitenkamp. De eerste vermelding van de buitenplaats dateert uit 1779, wanneer melding wordt gemaakt van een spijker op de Achterhoek.
In de loop van de 19e eeuw heeft het pand zijn huidige vorm gekregen bestaande uit een gepleisterde hoofdmassa, eenvoudige rechthoekige plattegrond met twee bouwlagen en een kap. Bij het landhuis hoorden vooral boerderijen. Een van deze boerderijen, gelegen vlak naast het landhuis, deed ook dienst als melkfabriek.

Het plan
Nadat ook het landgoed een beschermde status krijgt vallend onder de natuurschoonwet wordt begonnen met een volledige restauratie van het exterieur en interieur.
Door slecht onderhoud moeten de goot en veel kozijnen vervangen worden. Het interieur wordt weer in 19e eeuwse stijl gebracht waarbij ook de toevoegingen uit de jaren zeventig zoals schouwen weer plaats maakten voor oude marmeren exemplaren. Andere elementen als raambanken en stucplafonds konden hersteld en behouden blijven.
Als de restauratie gereed is wordt in 2000 op basis van oude foto’s een grote serre aan de zuidkant herbouwd. Een jaar later wordt achter het pand nog een houten schuur met werkplaats gebouwd. De hoofdconstructie hiervan wordt als een traditioneel eiken gebint uitgevoerd. Het gemetseld basement is voorzien van een gepotdekselde houten buitenbekleding.
Het HOOFDGEBOUW (Huis De Achterhoek) is een neo-classicistische bouwstijl dateert vermoedelijk in oorsprong uit de 18de eeuw (ca. 1870). Een in de gevel aangebrachte gevelsteen met de inscriptie “1816” duidt waarschijnlijk op een verbouwing in dat jaar. Het blokvormige huis op rechthoekige grondslag heeft twee bouwlagen een wordt overkapt door een met leien (maasdekking) gedekt roevendak met aankappingen. In de aankappingen gemetselde schoorstenen, op het plattere gedeelte een schoorsteen en centraal een luidklok. De gepleisterde gevels zijn voorzien van schijnvoegen. De voor- en achtergevel zijn streng symmetrisch ingedeeld. In de vijf traveeën brede voorgevel bevindt zich centraal een dubbele deur met bovenlicht met ruitvormige roedenverdeling. De entree is gevat in een omlijsting bestaande uit lisenen met een kroonlijst. Aan weerszijden van de entree achtruitsvensters met luiken en een over de breedte van de gevel lopende raamdorpel/waterlijst aan de onderzijde van de vensters. Op de etage in de venster assen een vierruitsvenster met luiken. De detaillering van de vensters is niet overal gelijk gebleven: de oudste schuiframen kennen een brede middenroede (een Empire-kenmerk). De linker zijgevel is eveneens symmetrisch ingedeeld met vensters als in de voor- en achtergevel en openslaande terrasdeuren ter plaatse van een voormalige veranda. De rechter zijgevel is voorzien van een aanbouw.
INTERIEUR: De interne structuur van het huis is gaaf. In de hal bevindt zich ondermeer een schouw. De vloeren van de gang en dienstruimten zijn in terazzowerk uitgevoerd. De deuren en omlijstingen en de stucplafonds van diverse ruimten zijn origineel. De stucplafonds zijn voorzien van ranken in een Empire-stijl. Tevens zijn zorgvuldig afgewerkte betimmeringen aanwezig; ondermeer de betimmeringen bij de vensters waar vouwblinden in zijn opgenomen.
BOERDERIJ: ERVE De ACHTERHOEK: boerderijtje onder rieten schilddak met wolfeind aan voorzijde. Twintigruits schuifvenster met luiken behangen en rechts een smal raam met een luik behangen; voordeur met bovenlicht. Middenlangsdeel met underschoer.
BOERDERIJ: de Buitenkamp: (Colmschate, Stationsweg) Buijtencamp, Buijtenkamp, Buitencamp, de Buitenkamp, den Buitencamp, Buitenkamp]
Oudste vermelding: 1399. Gesloopt.
De HISTORISCHE TUIN- EN PARKAANLEG van de buitenplaats De Achterhoek kent een eenvoudige, landschappelijke aanleg die vermoedelijk omstreeks 1830 is ontstaan. Vanaf de Colmschaterweg loopt een slingerende oprijlaan naar het vrijwel vierkante voorplein. Rondom het hoofdgebouw en het koetshuis kenmerkt de tuin- en parkaanleg zich door een besloten karakter. Ten noorden en oosten van het hoofdgebouw ligt een royale open gebied met thans (1997) weiden en bouwland. De aanleg wordt grotendeels omgeven door een droge gracht en wordt voor ca. driekwart omsloten door een singel. Aan de noordwest-zijde verbreedt en verdiept de gracht zich tot een slingerende waterpartij die dwars op de zichtas voor het huis ligt en als een voorgrond voor het zicht dient. Aan de noordelijke ronding van de waterpartij staan hoge bomen die het besloten gedeelte afschermen van de het open gebied. Thans (1997) wordt rondom de buitenplaats een woonwijk aangelegd waarin de zichtlijn vanaf het huis in een groenzone buiten de omgrenzing van de buitenplaats wordt voortgezet
Stationsweg
Melkfabriek
De melkfabriek in Colmschate heeft een geschiedenis die teruggaat tot aan de industriële revolutie in de tweede helft van de negentiende eeuw. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw werden melkproducten als boter en kaas vrijwel alleen op de boerderij gemaakt. De daarvoor benodigde room kwam van nature bovendrijven in de platte houten, later koperen bakken en het afgeschepte melkvet werd vervolgens gekarnd, waardoor het indikt: een zwaar en tijdrovend karwei.
Rond 1890, werden ten westen van De Achterhoek gelegen gronden verkocht, ten behoeve van de aanleg van de spoorweg van de Lokaal Spoorwegmaatschappij. Er werden ook enkele percelen verkaveld voor woningbouw en een zuivelfabriek.
In eerste instantie was de Zuivelfabriek ondergebracht in het ‘atelier/tuinmanswoning’ van L.L. Kleyn van Brandes op de buitenplaats De Achterhoek. In 1905 verhuisde het naar de Stationsweg. De Zuivelfabriek Colmschate maakte boter en consumptie melkproducten. In de volksmond heette de Zuivelfabriek ook wel ‘de oude melkfabriek’.

Atelier bij huize de Achterhoek te Colmschate. Hier werd in 1905 de eerste zuivelfabriek (op handkracht) gesticht door de eigenaar B.W. van Welderen Baron Rengers.
Nadruk op machinale verwerking
Bij de machinale verwerking van de zuivel in onder meer Denemarken, Engeland, Frankrijk en Amerika werd daarentegen juist veel aandacht besteed aan de hygiëne bij het verwerkingsproces. Daarbij maakten de ontwikkeling van de centrifuge en mechanische ontromer het mogelijk om grote hoeveelheden boter van een constante kwaliteit te bereiden. Een keerpunt was de komst van de melkcentrifuge in 1859. Omdat nu grote hoeveelheden room konden worden geproduceerd, bespoedigde dit de mechanisatie en de stichting van zuivelfabrieken. Door bovengenoemde ontwikkelingen werd in de omgeving van Deventer tussen 1890 en 1920 in vrijwel iedere plaats een zuivelfabriek opgericht. In het begin particuliere, maar al snel vooral coöperatieve bedrijven, omdat de boeren bij deze beheersvorm zelf betrokken bleven, het risico van mislukken gering was en zij iets terugzagen van de meeropbrengst. In 1905 resulteerde deze trend in de bouw van de Coöperatieve Zuivelfabriek “de Weteringen” in Colmschate.

1930 melkbussen bij de Zuivelfabriek
In de periode tot de Tweede Wereldoorlog gaat de mechanisatie verder met onder andere de lopende band en de melkbussenspoelmachine. De fabrieken werden uitgebreid en gemoderniseerd.
Coöperatie IJsseldal
In 1947 besluiten de zuivelfabrieken in Wesepe, Bathmen, Terwolde, Colmschate en Wilp te gaan samenwerken. In 1950 sluiten de coöperatieve fabrieken van Wesepe (‘Nieuw Leven’), Colmschate (‘de Weteringen’) en Bathmen zich aaneen tot de ‘Verenigde Coöperatieve Fabrieken’ IJsseldal. De jaarproductie bedraagt op dat moment 6 miljoen liter melk.

In 1954 wordt de verbruiksvereniging Ons Belang in Deventer overgenomen. De productie in Wesepe steeg hierdoor tot 10 miljoen liter melk. De samenwerking gaat gepaard met specialisatie van de productielijn. De Verenigde Coöperatieve Zuivelfabriek IJsseldal maakt boter en consumptiemelkproducten. De fabriek in Colmschate specialiseert zich in melkpoeder, die in Bathmen in kaas en die in Wesepe in overige melkconsumptieproducten. Aan de Boxbergerweg in Deventer, waar het hoofdkantoor gevestigd was, bevonden zich de koelcellen voor de bevoorrading van de stad.

De specialisatie van de productie ging gepaard met uitbreiding van de fabriekshallen. Zo werd de fabriek in Colmschate in de jaren 60 uitgebreid met diverse extra productiehallen en bijbehorende ruimtes. In 1970 is IJsseldal opnieuw een fusie aangegaan en wel met de Coberco in Zutphen. De fabriek in Colmschate sluit in 1971.

Oxersteeg
De Swormertoren was een versterking in de Sallandse landweer. Hij was onderdeel van de verdedigingswerken rond de stad Deventer. De versterking bestond uit een bakstenen ringmuur die een driehoekige binnenplaats omgaf. In deze binnenplaats bevond zich een ronde toren. Het complex lag bij de kruising van de Oxersteeg met de Schipbeek, dicht bij de huidige afslag Deventer-Oost van de A1.

Het Oostrik
Deze wijk is opgezet volgens de principes van de SAR (Stichting Architecten Research). Het in een raster opgezette stratenpatroon is een grote tegenstelling met het latere Blauwenoord. De meeste woningen hebben de woonkamer op de eerste verdieping met parkeren daaronder. De woonblokken zijn vaak voorzien van onderdoorgangen. U krijgt er een goed beeld van door even Kannenburg en Batenburg in te fietsen.


