Snipperling

 

Snipperling of De Snippeling is een buurtschap. De plaats ligt aan de Snippelingsdijk die in vroeger tijden de Schipbeek in toom moest houden, twee kilometer ten oosten van het centrum van Deventer aan weerszijden van de Holterweg. Lange tijd was het een gehucht met vooral een agrarisch karakter. Een verklaring voor de naam is, dat ter plaatse smalle percelen landbouwgrond waren, die als “snippers” overgebleven waren na vergraving of ontginning.

Geschiedenis

De Snippeling lag in de Middeleeuwen aan de belangrijke doorgaande weg richting Duitsland. Er was ter plekke een opening in de Deventer stadslandweer met een palissade en een tolhuis. In 1348 bouwde de stad Deventer hier het leprozenhuis Sint Jurriën dat enige eeuwen later bij een belegering van de stad in de Tachtigjarige Oorlog zou worden platgebrand. In 1761 stortte herberg ‘De Snippeling’ bij een overstroming in, er kwamen drie mensen om het leven toen hun boot omsloeg.

Kaart uit 1867 van de gemeente Deventer waarop Snippeling duidelijk vermeld wordt

Na het graven van het deel Deventer – Raalte van het Overijssels kanaal kwam er in 1855 bij de Snippeling een schutsluis en een brug te liggen. Vanwege de gunstige aan- en afvoermogelijkheden kwam er in 1896 een schelpkalkbranderij met drie kalkovens. Deze vormden tot ver na de sluiting in 1964 een karakteristiek herkenningspunt. De machinale klompenmakerij brandde in 1925 af. Van de korenmolen bleef het onderste deel van de romp bestaan als opslagruimte. Tot circa 1980 waren er meerdere boerderijen, tuinderijen en andere kleine bedrijven gevestigd.

Bij het hier gelegen seinhuis De Snippeling splitsen de spoorlijnen vanuit Deventer in de richting Zutphen en Almelo zich. Van 1890 tot 1918 kende de lijn naar Zutphen een stopplaats Snippeling.

Veldwachters bakkerij en windkorenmolen

De bakkerij is opgericht door Antonie Veldwachter (4 september 1874 – 20 mei 1957). Hij was bakker en molenaar.

De molen
Veldwachters windkorenmolen was de opvolger van de 750 meter verderop gelegen Hunnepermolen die tussen 1740 en 1900 bij het Hunneperklooster stond. Hij werd opgeleverd in 1833 op de hoek van de Snippelingsdijk en de Westfalenstraat. Na de brand in 1889 wordt ie in 1903 herbouwd door bakker Antoni Veldwachter. In 1945 schoten de geallieerde troepen hem in brand. De molenvoet staat er nog.

De kalkovens

Ter hoogte van de kalkovens van de fa. Trip (later Klosters) die in 1974 zijn gesloopt maar hier nog aanwezig zijn met de klapbrug op de achtergrond. De achtkantige graanmolen van Veldwachter ook bekend als de Hunnepermolen is tijdens de bevrijding in april 1945 verloren is gegaan.

Het begin van de kalkovens
Op zoek naar een plek om een schelpkalkfabriek te beginnen vond Hendrik Kruissink ongeveer een eeuw geleden een stuk – grond aan het Overijssels Kanaal ten zuiden van de Snipperlingsdijk bij Deventer. Een ideale plek: goed over het water te bereiken met de schelpen en de turf, gelegen aan de grote weg van Deventer naar Holten en Twente, veel bouwactiviteiten in de buurt, geen concurrentie binnen een straal van tientallen kilometers en dankzij de heersende wind ook weinig stankoverlast voor de mensen in de buurt. In Januari 1896 vroeg Kruissink het gemeentebestuur van Diepenveen, waar de buurtschap de Snipperling en het dorp Colmschate indertijd onder vielen, toestemming een kalkbranderij te mogen oprichten. Hij kocht de grond van Hindrik Gijmink, smid in Colmschate; tien are voor een bedrag van f 650,-.

Op vrijdag 6 maart 1896 liet Kruissink in de Deventer Courant de volgende advertentie zetten:

“AANBESTEDING KALKFABRIEK – 0p Dinsdag den 17 maart aanstaande des middags te 3 uur, zal door den Heer H. Kruissink in het Koffijhuis bij Bloemendal aan den Snipperling worden aanbesteed: Het bouwen van een Schelpkalk fabriek met Leschhuis tegen den dijk aldaar. Bestek en teekeningen liggen vanaf den 7 dezer in genoemd koffijhuis ter visie. Aanwijzing in loco op den dag der besteding des morgens te 10 uur. In formatiën zijn op franco aanvrage te bekomen bij den architect G. te Riele Wzn”.

Kruissink liet er geen gras over groeien, want nauwelijks drie maanden later waren zijn ovens al in vol bedrijf, zo blijkt uit de advertentie in de Deventer Courant van 12 juni 1896:

“KALKFABRIEK – Ondergeteekende maakt bekend, dat zijne kalkfabriek aan de Snipperling in volle werking is en thans dagelijks aan de fabriek kalk is te verkrijgen, hetzij bij kleine of groote partijen. Onder minzame aanbeveling, hoogachtend, UEd. Dv. dienaar, H. Kruissink. Snipperling, 11 juni 1896”.

Dat het goed ging met de kalkbranderij aan de Snipperling moge blijken uit het feit dat Kruissink kort na de opening van zijn fabriek een derde oven liet bouwen. Saillant detail hierbij is de opa van de latere eigenaren Joop en Jan Klosters zich als lid van de Diepenveense gemeenteraad tegen de komst van deze derde oven heeft gepleit. Deze opa ging in 1895 naar Den Haag om bij de Raad van State te protesteren tegen de voorgenomen bouw. Ondanks zijn protest kwam de derde kalkoven er toch en daar hebben zijn kleinzoons van geprofiteerd.

De gouden jaren van de schelpkalk

Het eind van de vorige eeuw was een goede tijd voor de schelpkalk-fabrikanten. De aanvoer van schelpen – tot dan toe altijd de zwakste schakel in de kalkproduktie – groeide sterk dankzij de schelpenzuigers die de Waddenzee en de Zeeuwse wateren op konden, terwijl men tot dan toe altijd afhankelijk was geweest van de schelpenvissers die vanaf de kant werkten. Tegenover een goedkope inkoop stonden goede resultaten dankzij de gunstige ontwikkelingen in de bouw en het feit dat men door vanaf 1895 in de N.V. Schelpkalk samen te werken goede prijzen wist te maken. Met onderlinge afspraken over de te produceren hoeveelheid kalk en door de prijzen op regionaal niveau vast te stellen slaagde men er vele jaren lang in de kalkbranderij tot een lucratieve bezigheid te maken. Gaandeweg echter kreeg men met meer concurrentie te maken, met name van het kunstmatig gefabriceerde portlandcement dat aan het eind van de vorige eeuw ook in Nederland zelf werd geproduceerd.

Toen de Eerste Wereldoorlog Nederland vrijwel geheel op zichzelf terugwierp, braken er voor de schelpkalkfabrikanten echter enkele gouden jaren aan. De invoer van de steenkalk uit het buitenland kwam stil te liggen en de prijzen stegen snel. In haar jaarverslag over 1917 constateerde de Kamer van Koophandel van Deventer dat de prijs van schelpkalk sinds het begin van de oorlog verdubbeld was. Een prijsniveau dat – zoals achteraf zou blijken – pas ver na de Tweede Wereldoorlog opnieuw zou worden bereikt.

De gebroeders Trip
Toen hij ruim tien jaar aan de Snipperling gewerkt had, liet Kruissink de kalkfabriek op 23 juni 1908 onder de hamer brengen. Kopers werden de twee broers Joan Antonius Josef Trip en Gerardus Johannes Marie Trip, kalkfabrikanten in respectievelijk Coevorden en Dedemsvaart. Ze betaalden f 16.000,- voor de fabriek en waren verplicht de voorraden turf, schelpen en kalk tegen marktprijzen over te nemen. Om een indruk te geven van de prijzen in die tijd: de turf moesten ze kopen à 3 gulden per 1000 stuks, de schelpen à 22 cent per hectoliter, de gezeefde kalk à 42 cent per hectoliter en de ongezeefde kalk à 37 cent per hectoliter. Beide broers kenden het klappen van de zweep, want al enkele generaties lang had de familie Trip zich met de kalkbranderij beziggehouden. Zo bezat dit, oorspronkelijk uit Utrecht afkomstig, patriciersgeslacht in de achttiende eeuw reeds kalkovens in de provincie Utrecht.

In 1848 kocht Joan Trip vier kalkovens in Dedemsvaart, indertijd gebouwd door baron Van Dedem. Joan’s zoon Willem Jan Laurentius Trip zou later naar Dedemsvaart verhuizen om zich er met de dagelijkse leiding van de branderij te belasten. Na diens dood werd zijn plaats in 1898 ingenomen door zijn tweede zoon Gerard J. M. Trip. Zijn oudste zoon Joan A. J. Trip was inmiddels in Coevorden voor zichzelf begonnen. Het is niet onmogelijk dat Hendrik Kruissink, de oprichter van de kalkfabriek aan de Snipperling die ook in Dedemsvaart gewoond heeft, in de kalkbranderij van de Trippen het vak had geleerd. Beide broers Trip hebben zich in Colmschate nooit daadwerkelijk met de dagelijkse leiding van het bedrijf beziggehouden. Ze benoemden hun jongere broer Andreas Ignatius Antonius tot directeur. Op 6 november 1908 stond de volgende advertentie in de Deventer Courant:

“Ondergetekende bericht hiermede dat zijne kalkbranderij aan de Snipperling in andere handen is overgegaan, dankt zijne begunstigers voor het genoten vertrouwen en beveelt zijne opvolger gaarne aan. H. Kruissink. Mij refererend aan bovenstaand houd ik mij beleefd aanbevolen voor levering van prima kwaliteit SCHELPKALK en zal voor accurate bediening worden zorg gedragen. Schelpkalkbranderij ‘Snipperling’, Dir. Ign. Trip”.

Jac. Trip vlak na zijn pensionering

Vier jaar later kreeg de kalkbranderij opnieuw een andere eigenaar, maar ditmaal bleef het in de familie. Op 21 december 1912 passeerde bij notaris Berendsen in Dedemsvaart de akte waarmee beide broers Trip hun kalkfabriek aan de Snipperling aan hun één na jongste broer Jacobus Gerardus Maria (Jaq.) Trip verkochten voor een bedrag van f 11.600,-. Directeur lgnaat Trip vertrok naar Lochem waar hij zich als handelaar in bouwmaterialen vestigde. De koopakte geeft een aardig beeld van de kleinschaligheid van de onderneming aan de Snipperlingsdijk:

De schelpkalkfabriek bestaat uit 3 ovens, loods en erf, groot 10 aren, met alle daartoe door bestemming behorende goederen als: 3 kalkzeven met 2 stoelen en stofkast, 5 schelpenbakjes, 6 turfkruiwagens, 9 kruiplanken, 2 ladders, enige bezems, enige kalk- en schelpschoppen, enige honderden kalkzakken, benevens een tafel en vier stoelen.

Iedereen die hem gekend heeft, noemt Jaq. Trip een bijzonder man: een heer en een aristocraat, een vriendelijke, zachtaardige man, een tikje wereldvreemd misschien. Opvallend was Trip niet alleen door zijn verschijning, maar ook door het feit dat hij de eerste in Colmschate en omgeving was met een auto; een grote Ford waar hij stad en land mee afreisde, zijn herdershond steevast op de achterbank. Op 21 mei 1913 kwam Jaq. Trip als kostganger bij de wagenmaker-timmerman Jan Willem Klosters in huis. De bedoeling was tijdelijk, maar Jaq. Trip bleef bijna vijftig jaar huisgenoot van de familie Klosters, tot aan zijn dood op 14 maart 1963.

Klosters woonde met zijn vrouw Jenneken Broekmaat en hun drie toen nog ongehuwde zonen Herman, Lammert en Jan-Willem aan de overkant van het Overijssels Kanaal op de Snipperling. Later, toen zoon Lammert het aannemersbedrijf overnam en in het ouderlijk huis ging wonen, verhuisde Jaq. Trip samen met het oude echtpaar Klosters naar een nieuwe woning aan de andere kant van de Lage Weteringsweg.

Was Jaq. Trip voor iedereen op de Snipperling en in Colmschate ‘meneer Trip’, voor de kinderen Klosters was hij ‘oom Pé’. Die naam had hij gekregen van een van de kleintjes in de familie die moeite gehad schijnt te hebben met het woord ‘Trip’. De oudste herinnering die Jan Klosters, de zoon van Lammert, aan Jaq. Trip heeft, is dat hij op zondag altijd met hem naar de overkant van het kanaal mocht om de kippen te voeren. Achter de kalkovens hield Jaq. Trip namelijk een toompje kippen. Samen voerden ze de kippen, haalden de eieren uit het nest en kochten op de terugweg in de kiosk bij de brug een zak snoep. Toen Jan Klosters een jaar of tien, elf was, mocht hij een keer met Jaq. Trip mee in de auto de klanten langs. De tocht eindigde op de Deventer kermis en duurde tot grote ongerustheid van Jan’s ouders tot ver in de avond. Jan werd door Jaq. Trip steeds weer van stuivers en dubbeltjes voorzien, zodat hij zelf rustig zijn borreltje kon drinken aan z’n stamtafel bij café De Tijd (het huidige Royal).

Jaq. Trip was geen ondernemer die op expansie uit was. Hij voelde zich pas op zijn gemak als alles zijn gewone gangetje ging, zonder verrassingen. Het bedrijf zou het in de crisisjaren dan ook heel moeilijk gekregen hebben, als Jaq. Trip het in die tijd zonder de jonge bedrijfsleider Jan van der Klauw had moeten stellen. Deze kwam in 1926 bij de zaak en zou er de rest van zijn werkzame leven blijven.

Jac. Trip met zijn grote Ford samen de familie Klosters

Tot in de jaren dertig had de firma Jaq. Trip uitsluitend schelpkalk verkocht en in het seizoen een klein beetje kluitkalk. Dat was een vette steenkalk die met water aangemengd in de kalkput kwam om als witkalk te worden verkocht. De boerinnen uit de buurt kwamen in het voorjaar zelf op de fiets met een emmer naar de Snipperlingsdijk om er voor een dubbeltje witkalk te halen. Jan van der Klauw bracht nieuwe produkten bij de firma binnen om het risico wat te spreiden. Er kwam een apparaat om cementen dakpannen mee te maken en er werd een begin gemaakt met de handel in bouwmaterialen. Iets wat met de nodige omzichtigheid diende te geschieden, want in feite werd je de concurrent van je beste klanten. Dat de handel in bouwmaterialen een steeds belangrijker plaats ging innemen blijkt uit het feit dat de firma Jaq. Trip in 1936 lid werd van de Vereeniging van Handelaren in Bouwmaterialen in Nederland, meestal kortweg HIBIN genoemd.

In tal van opzichten had de Tweede Wereldoorlog ingrijpende gevolgen voor de Snipperling. De activiteiten in de kalkfabriek verminderden zienderogen, toen de aanvoer van schelpen vrijwel tot stilstand kwam. De stranden waren door de Duitsers tot verboden gebied verklaard en in het Waddengebied wemelde het van de zeemijnen.

Ook bij Jaq. Trip persoonlijk heeft de oorlog diepe sporen achtergelaten. Hij hoorde tot de groep Nederlanders die in augustus 1944 werd opgepakt en een tijdlang werd geïnterneerd in het kamp Vught. Toen hij terugkeerde naar zijn vertrouwde plek op de Snippeling bij de familie Klosters, vertelde hij dat hij wilde stoppen en van plan was de zaak te verkopen. Het liefst zo snel mogelijk.

Met schelpkalk gebouwd – Eeuwen vertrouwd
Schelpkalk is een typisch Nederlands product. Je hebt er schelpen, turf en water voor nodig. Kan het Nederlandser? Sinds vele eeuwen worden in Nederland schelpen gebrand, omdat er in deze streken nauwelijks steenkalk voor handen is. De oudste branderijen stonden aan de kust, maar in de loop van de eeuwen schoof de industrie steeds verder naar het oosten; voornamelijk omdat het duurder was de turf naar de schelpen te brengen dan omgekeerd. In theorie was het maken van kalk uit schelpen tamelijk eenvoudig. De oven werd volgestort met afwisselend een laag turf – zo’n vijf turven hoog – en een ongeveer tien centimeter dikke laag schelpen. Later werd er antracietgruis aan de schelpen toegevoegd om het geheel wat brandbaarder te maken. Met vier man was je anderhalve dag bezig om de ovens aan de Snippeling te vullen. Zodra de temperatuur in de oven was opgelopen tot zo’n 1000 graden, ging er zich een chemisch proces voltrekken waarbij het koolzuur uit de schelpen verdween en er calciumoxide overbleef. Zodra de schelpen ‘gaar’ waren – afhankelijk van de hoeveelheid schelpen was dat aan de Snippeling na drie tot vijf dagen – werd de oven leeggeschept en werden de schelpen met water ‘gelest’. Als je de juiste hoeveelheid water toevoegde, vielen de schelpen in een paar minuten tijd als wit poeder uit elkaar en had je gebluste kalk. Vooral het lessen van de kalk vereiste veel ervaring en vakmanschap. Te veel water zorgde voor een te lage temperatuur en niet goed gebluste kalk, te weinig water deed de kalk verbranden waardoor hij ook onverkoopbaar werd. Als de kalk bij het metselen werd gebruikt, voltrok zich een omgekeerd proces. Blootgesteld aan de lucht ging gebluste kalk weer koolzuur opnemen waarbij de kalk versteende en daarmee de stenen voor eens en altijd met elkaar verbond.

Over de kalkoven
De kalkovens aan de Snippeling hoorden tot het oude Hollandse of Katwijker type: drie dikke, afgeknotte kegels, circa dertien meter hoog en een diameter van zo’n twaalf meter. Onderin zat een rij luchtgaten en op een meter of vijf boven de grond een vulgat. Via kruiplanken werden schelpen en turf hierdoor de oven in gebracht. De drie ovens hadden samen een capaciteit van 1800 ton schelpkalk; ofwel 36 duizend zak kalk per jaar. Anders dan de modernere ‘snelovens’ moesten de ovens aan de Snippeling in één keer geladen en gelost worden. De volgende dag werd de kalk gezeefd om grove stukken en ongebrande schelpen eruit te halen en werd de kalk in zakken van één mud geschept. Schelpkalk had en heeft een hele goede naam als metselspecie, omdat het materiaal beter verwerkbaar en duurzamer is dan steenkalk of portlandcement. Uit chemische analyse blijkt dat schelpkalk buitengewone eigenschappen van duurzaamheid bezit. Niet voor niets was de leuze van de schelpkalkindustrie: ‘Met schelpkalk gebouwd – Eeuwen vertrouwd’.

De neven Klosters
De neven Joop en Jan Klosters. Ze waren 22 jaar en ze hadden allebei heel andere plannen, toen hun vaders Herman en Lammert Klosters hen vroegen wat ze ervan vonden, de zaak van Jaq. Trip over te nemen. De neven Jan en Joop hadden zelf nog geen moment aan die mogelijkheid gedacht. Jan werkte na zijn HBS-tijd op de zuivelfabriek en dat beviel hem eigenlijk prima en Joop speelde met het idee naar Indië te gaan. De zaak van Jaq. Trip overnemen? Zo ongeveer de enige ervaring die Jan Klosters met de kalkbranderij had, was dat hij voor een extra zakcent regelmatig op de fiets rekeningen had rondgebracht. Hij herinnerde zich dat een leraar op school hem tot extra inspanningen had proberen aan te zetten door hem dreigend voor te houden: ‘jij schopt het nooit verder dan de kalkovens…’

Joop en Jan Klosters bij hun afscheid als directeur in 1985

Maar hoe het ook zij: Jan en Joop Klosters deden het! Met geleend geld van hun ouders kochten ze het bedrijf van Jaq. Trip. Op 17 september 1945 passeerde bij notaris Ten Cate in Deventer de koopakte en was de fabrieks- en handelsonderneming (schelpkalkbranderij, cementpannen fabricage en bouwmaterialenhandel) met de handelsnaam JAQ. TRIP eigendom van beide neven Klosters. Er werkten in die eerste jaren acht man personeel: vijf mensen in de branderij, twee in de pannenmakerij en Jan van der Klauw: bedrijfsleider, vertegenwoordiger en voor de twee neven even onmisbaar als hij indertijd voor Jaq. Trip was geweest.

De eerste zorg van de firma Klosters was: hoe komen we aan schelpen? De gigantische schelpenberg was in de oorlogsjaren geslonken tot een klein bultje voor noodgevallen. Op een ochtend in oktober 1945 begon Jan Klosters zijn eerste schelpenexpositie al om vijf uur. Het werd een lange tocht, want het openbaar vervoer was nog niet op gang gekomen. Hij kon het eerste stuk in een Rode Kruisauto meerijden waarna er gelift moest worden. Jan Klosters:

“Het waren steeds kleine stukjes, naar Steenwijk, Wolvega, Leeuwarden. Als het me te lang duurde, liep ik een stuk. Het was half vier toen ik aan de haven van Harlingen stond. Daar moest ik, had Jaq. Trip me verteld, schipper Oosterhof hebben. Ik vroeg het de eerste de beste die ik op de kade tegenkwam. ‘Ik ben Oosterhof’, zei die en we kwamen meteen tot zaken. Om een uur of zes kon ik weer terug. De volgende dag was ik pas aan het eind van de middag terug op de Snippeling, maar we hadden weer schelpen”!

Regelmatig maakte Jan van der Klauw beide neven in die beginjaren op zaterdagmiddag wegwijs in het vak. Jan Klosters concentreerde zich na verloop van tijd op de verkoop en administratie en Joop ging zich met name met de inkoop en productie bezighouden. Een paar weken lang bijvoorbeeld stond hij zelf cementen dakpannen te maken: We hadden een machine staan, maar we hadden geen idee welke productie we ermee konden halen. Ik heb het mezelf geleerd: specie in de mal doen, blauwe of rode kleurpoeder in een zeef erboven, de mal dicht en de rekken te drogen zetten. Ik haalde na wat oefening 118 pannen per dag.

Degenen die beweerd hadden dat de Snippeling ‘veel te ver van de stad’ was, kregen ongelijk. De aannemers wisten steeds beter de weg naar de zaak te vinden en beide neven probeerden er alles aan te doen hen hierbij een handje te helpen. Jan Klosters vertelt hoe ze in die beginjaren hun eerste grote klant wisten binnen te halen namelijk aannemer Job te Pas uit Enschede. Deze kreeg de bouw van een groot koelhuis in Twello gegund, in die tijd een gigantisch werk, en we hoorden dat hij hier de steenfabrieken langs ging om stenen te kopen. Handel in stenen had de bouwmaterialenhandel rond Deventer toen nog nauwelijks, want de aannemers gingen rechtstreeks naar de Deventer Steenfabriek, de Overijsselse, de Petra en de andere fabrieken om hun stenen te kopen. Maar het leveren van het andere materiaal was ook best interessant, dus ging Joop Klosters er net als de andere collega’s op uit om Te Pas te spreken te krijgen. Jan bleef thuis en zei later:

Ik paste die middag op de zaak toen er een auto stopte. Een man komt op me af en die zegt: ‘Ik ben Te Pas uit Enschede. Heb je wat benzine voor me, want ik sta hier bij de brug zonder.’ Ik zeg: ‘Natuurlijk meneer Te Pas.’ En zonder me een moment te bedenken: ‘Wij kunnen u ook voor het koelhuis leveren. Binnen de kortste keren waren we het eens. Toen Joop later op zijn fiets terugkwam, dacht hij dat ik hem in de maling nam. Zonder geluk vaart niemand wel, zullen we maar zeggen.

Wederopbouw
De periode van wederopbouw zorgde ook in de schelpkalkbranderij voor een geweldige opleving. De totale jaarproductie in Nederland bleek met 90 duizend ton in 1950 meer dan het dubbele van wat er voor de oorlog werd geproduceerd. In hun brancheverenigingen waren de schelpkalkfabrikanten actiever dan ooit om zich de kaas niet van het brood te laten eten. In Overijssel en Drenthe was men aangesloten bij DOS: de Vereeniging van Drentsch-Overijselsche Schelpkalkfabrikanten. In die periode waren dat nog acht bedrijven: Mulders (Meppel), Concordia (Dieverbrug), DeBoKa v/h Trip (Dedemsvaart), Scholten (Dedemsvaart), Van Riggelen (Vroomshoop; later Almelo), Ossevoort (Vroomshoop; later Almelo), Klosters v/h Jaq. Trip (Colmschate) en Salomons (Apeldoorn).

De ovens aan de Snipperling draaiden in die jaren op volle toeren. Regelmatig lagen de schepen van de schippers Drent en Oosterhof uit Zwolle, De Jong uit Zwartsluis en Horjus uit Dedemsvaart voor de loskade om hun vracht schelpen af te leveren. De beste schelpen om te branden waren de blauwe kleischelpen die de schelpenzuigers van de Terschellinger firma Doeksen uit de Meep, een geul ten zuiden van het eiland, naar boven haalden.

Jan Doeksen was de grondlegger van een bedrijf dat niet alleen in schelpen handelde, maar ook het personen- en goederenvervoer van en naar Terschelling en Vlieland in handen kreeg. Over deze Jan Doeksen herinnert Jan Klosters zich dat men hem in de jaren vijftig aan de Snippeling regelmatig over de vloer had: De oude Doeksen logeerde dan bij zijn dochter in Deventer die getrouwd was met dokter De Vries. Iedere morgen liet Doeksen zich met een taxi naar de Snippeling rijden om even aan de schelpen te ruiken. Hij miste de lucht van het Wad.

Over ruiken gesproken, sommigen mochten klagen over de stank van de kalkovens – voornamelijk veroorzaakt door de lucht van verbrande turf – de lucht van de kalk vond een veel positiever waardering. Joop Klosters:

“Als ik vroeger een verkoudheid voelde opkomen, ging ik regelmatig even de kalkschuur in, haalde een paar keer diep adem en gegarandeerd: je werd niet verkouden. Niet voor niets zeiden de mensen vroeger dat kalkbranders oud werden”.

De kalkovens voorgoed gedoofd
Halverwege de jaren vijftig begon er langzaam maar zeker de klad in de schelpkalkbranderij te komen. Eerst zorgden de hogere brandstoffenprijzen en later de hogere lonen er in deze arbeidsintensieve bedrijfstak voor dat de schelpkalk de concurrentiestrijd met de (Belgische) steenkalk en het portlandcement in snel tempo begon te verliezen. Waren er na de Tweede Wereldoorlog nog zo’n zeventig schelpkalkbranderijen in bedrijf, een jaar of twintig later waren er nog maar een stuk of tien over. Ook de firma Klosters was daar niet meer bij, want in april 1964 besloten beide neven Klosters hun ovens niet meer aan te steken. Een aantal jaren later werd een van de drie ovens afgebroken, toen hij de uitbreiding van de bouwmaterialenhandel in de weg stond. De branderijen die het wat langer volhielden, waren de relatief moderne snelovens, die veel zuiniger met brandstof omsprongen en niet ineens helemaal gevuld en gelost hoefden te worden. Maar ook deze ovens gingen in de loop van de jaren zeventig allemaal dicht. Slechts één bleef in bedrijf: Schelpkalkbranderij Nederland bv in Harlingen. Sinds kort kunnen ook in de gerestaureerde kalkovens van Hasselt bij wijze van toeristische attractie weer schelpen worden gebrand.

Een nieuw begin
Betekende het stopzetten van de kalkbranderij, het einde van een tijdperk, de officiële opening van de showroom op 4 september 1964 met een expositie van keukens, kasten, vloerbedekking en arbeidsbesparende bouwmaterialen betekende een nieuw begin. Met name de keukens bleken een product dat in de loop van de jaren steeds belangrijker voor Klosters werd. Klosters N. V. doeltreffend voor al uw bouwmaterialen adverteerde men in het Deventer Dagblad. Was het adres vroeger simpelweg ‘Snippeling’, voortaan zou het ‘Snippelingsdijk 54 Deventer’ zijn. Het lijkt een detail, maar het illustreert hoezeer Deventer bezit van de Snippeling en Colmschate had genomen. En hoezeer een aantal concurrenten het bij het verkeerde eind had, toen men weinig van Klosters te vrezen dacht te hebben, omdat men veel te ver van de stad af zat.

Bouwmaterialen
In de jaren zestig maakte de bouwmaterialenhandel een geweldige groei door. De aannemers uit Deventer en omgeving moesten voortaan namelijk ook voor hun stenen naar de bouwmaterialenhandel, omdat de steenfabrieken langs de IJssel de een na de andere hun poorten sloten. Daarnaast werd de bouw grootschaliger. Vaak ging het in de bouw niet langer om een paar blokjes huizen, maar om het leveren voor hele wijken met vele honderden woningen. Zo kreeg de Deventer aannemer Vermeulen in de jaren zestig de opdracht om bijna duizend woningen in de wijk Het Oostrik te bouwen. Klosters kreeg de levering van het bouwmateriaal, een van de grootste opdrachten die beide neven ooit in de wacht wisten te slepen.

In de jaren die erop volgden, groeide Klosters Bouwmaterialen van een klein naar een middelgroot bedrijf. Voornamelijk door veel service en veel aandacht aan de klanten te geven. Jan Klosters: “Klanten koop je niet. Klanten bind je aan je door aandacht aan ze te besteden. Met af en toe eens een telefoontje of een kleine attentie als er iets te vieren valt”. In dat verband herinnert Joop Klosters zich: “ Toen de pvc-buizen de gresbuizen zo goed als van de markt verdreven hadden, bleven we met een hele partij verloopstukken, T-stukken en de onmogelijkste stukken gresbuis zitten. Ik geloof dat we die in de loop van de tijd zo’n beetje allemaal als relatiegeschenk hebben weggegeven. We lieten ze bij de bloemist voor een paar cent opmaken en de klant kreeg een cadeautje waar hij het maanden later nog over had”.

Beide neven deden er alles aan de ontwikkeling van het bedrijf zo evenwichtig mogelijk te laten verlopen; een gestage groei zonder al te veel schokken. Deze koers werd op zondagochtend 5 mei 1974 flink doorkruist door een grote brand die de kantoren en een deel van de showroom in de as legde. De brand dwong Jan en Joop Klosters hun bedrijf snel en ingrijpend te reorganiseren. Er kwam een nieuwe showroom met kantoren erboven en het bedrijfsterrein werd opnieuw ingericht waarbij de twee overgebleven kalkovens het veld moesten ruimen.

Op 21 februari 1975 kon Klosters Bouwmaterialen BV feestelijk heropend worden en begonnen beide neven aan hun laatste tien jaar als directeur. ‘Jij schopt het nooit verder dan de kalkovens’ had een van zijn leraren indertijd kribbig tegen Jan Klosters gezegd. Jan Klosters zegt er achteraf over: “Eigenlijk had ik toen moeten zeggen: “Ik hope da’je geliek hebt”. Maar je bent jong en je denkt er niet aan dat je geluk zo dicht bij huis kan liggen…

© Copyright - Historisch Deventer