Snipperling
Snipperling of De Snippeling is een buurtschap. De plaats ligt aan de Snippelingsdijk die in vroeger tijden de Schipbeek in toom moest houden, twee kilometer ten oosten van het centrum van Deventer aan weerszijden van de Holterweg. Lange tijd was het een gehucht met vooral een agrarisch karakter. Een verklaring voor de naam is, dat ter plaatse smalle percelen landbouwgrond waren, die als “snippers” overgebleven waren na vergraving of ontginning.
Geschiedenis
De Snippeling lag in de Middeleeuwen aan de belangrijke doorgaande weg richting Duitsland. Er was ter plekke een opening in de Deventer stadslandweer met een palissade en een tolhuis. In 1348 bouwde de stad Deventer hier het leprozenhuis Sint Jurriën dat enige eeuwen later bij een belegering van de stad in de Tachtigjarige Oorlog zou worden platgebrand. In 1761 stortte herberg ‘De Snippeling’ bij een overstroming in, er kwamen drie mensen om het leven toen hun boot omsloeg.

Kaart uit 1867 van de gemeente Deventer waarop Snippeling duidelijk vermeld wordt
Na het graven van het deel Deventer – Raalte van het Overijssels kanaal kwam er in 1855 bij de Snippeling een schutsluis en een brug te liggen. Vanwege de gunstige aan- en afvoermogelijkheden kwam er in 1896 een schelpkalkbranderij met drie kalkovens. Deze vormden tot ver na de sluiting in 1964 een karakteristiek herkenningspunt. De machinale klompenmakerij brandde in 1925 af. Van de korenmolen bleef het onderste deel van de romp bestaan als opslagruimte. Tot circa 1980 waren er meerdere boerderijen, tuinderijen en andere kleine bedrijven gevestigd.
Bij het hier gelegen seinhuis De Snippeling splitsen de spoorlijnen vanuit Deventer in de richting Zutphen en Almelo zich. Van 1890 tot 1918 kende de lijn naar Zutphen een stopplaats Snippeling.

Veldwachters bakkerij en windkorenmolen
De bakkerij is opgericht door Antonie Veldwachter (4 september 1874 – 20 mei 1957). Hij was bakker en molenaar.

De molen
Veldwachters windkorenmolen was de opvolger van de 750 meter verderop gelegen Hunnepermolen die tussen 1740 en 1900 bij het Hunneperklooster stond. Hij werd opgeleverd in 1833 op de hoek van de Snippelingsdijk en de Westfalenstraat. Na de brand in 1889 wordt ie in 1903 herbouwd door bakker Antoni Veldwachter. In 1945 schoten de geallieerde troepen hem in brand. De molenvoet staat er nog.

De kalkovens

Ter hoogte van de kalkovens van de fa. Trip (later Klosters) die in 1974 zijn gesloopt maar hier nog aanwezig zijn met de klapbrug op de achtergrond. De achtkantige graanmolen van Veldwachter ook bekend als de Hunnepermolen is tijdens de bevrijding in april 1945 verloren is gegaan.
Het begin van de kalkovens
Op zoek naar een plek om een schelpkalkfabriek te beginnen vond Hendrik Kruissink ongeveer een eeuw geleden een stuk – grond aan het Overijssels Kanaal ten zuiden van de Snipperlingsdijk bij Deventer. Een ideale plek: goed over het water te bereiken met de schelpen en de turf, gelegen aan de grote weg van Deventer naar Holten en Twente, veel bouwactiviteiten in de buurt, geen concurrentie binnen een straal van tientallen kilometers en dankzij de heersende wind ook weinig stankoverlast voor de mensen in de buurt. In Januari 1896 vroeg Kruissink het gemeentebestuur van Diepenveen, waar de buurtschap de Snipperling en het dorp Colmschate indertijd onder vielen, toestemming een kalkbranderij te mogen oprichten. Hij kocht de grond van Hindrik Gijmink, smid in Colmschate; tien are voor een bedrag van f 650,-.
Op vrijdag 6 maart 1896 liet Kruissink in de Deventer Courant de volgende advertentie zetten:
“AANBESTEDING KALKFABRIEK – 0p Dinsdag den 17 maart aanstaande des middags te 3 uur, zal door den Heer H. Kruissink in het Koffijhuis bij Bloemendal aan den Snipperling worden aanbesteed: Het bouwen van een Schelpkalk fabriek met Leschhuis tegen den dijk aldaar. Bestek en teekeningen liggen vanaf den 7 dezer in genoemd koffijhuis ter visie. Aanwijzing in loco op den dag der besteding des morgens te 10 uur. In formatiën zijn op franco aanvrage te bekomen bij den architect G. te Riele Wzn”.
Kruissink liet er geen gras over groeien, want nauwelijks drie maanden later waren zijn ovens al in vol bedrijf, zo blijkt uit de advertentie in de Deventer Courant van 12 juni 1896:
“KALKFABRIEK – Ondergeteekende maakt bekend, dat zijne kalkfabriek aan de Snipperling in volle werking is en thans dagelijks aan de fabriek kalk is te verkrijgen, hetzij bij kleine of groote partijen. Onder minzame aanbeveling, hoogachtend, UEd. Dv. dienaar, H. Kruissink. Snipperling, 11 juni 1896”.
Dat het goed ging met de kalkbranderij aan de Snipperling moge blijken uit het feit dat Kruissink kort na de opening van zijn fabriek een derde oven liet bouwen. Saillant detail hierbij is de opa van de latere eigenaren Joop en Jan Klosters zich als lid van de Diepenveense gemeenteraad tegen de komst van deze derde oven heeft gepleit. Deze opa ging in 1895 naar Den Haag om bij de Raad van State te protesteren tegen de voorgenomen bouw. Ondanks zijn protest kwam de derde kalkoven er toch en daar hebben zijn kleinzoons van geprofiteerd.
De gouden jaren van de schelpkalk

Het eind van de vorige eeuw was een goede tijd voor de schelpkalk-fabrikanten. De aanvoer van schelpen – tot dan toe altijd de zwakste schakel in de kalkproduktie – groeide sterk dankzij de schelpenzuigers die de Waddenzee en de Zeeuwse wateren op konden, terwijl men tot dan toe altijd afhankelijk was geweest van de schelpenvissers die vanaf de kant werkten. Tegenover een goedkope inkoop stonden goede resultaten dankzij de gunstige ontwikkelingen in de bouw en het feit dat men door vanaf 1895 in de N.V. Schelpkalk samen te werken goede prijzen wist te maken. Met onderlinge afspraken over de te produceren hoeveelheid kalk en door de prijzen op regionaal niveau vast te stellen slaagde men er vele jaren lang in de kalkbranderij tot een lucratieve bezigheid te maken. Gaandeweg echter kreeg men met meer concurrentie te maken, met name van het kunstmatig gefabriceerde portlandcement dat aan het eind van de vorige eeuw ook in Nederland zelf werd geproduceerd.
Toen de Eerste Wereldoorlog Nederland vrijwel geheel op zichzelf terugwierp, braken er voor de schelpkalkfabrikanten echter enkele gouden jaren aan. De invoer van de steenkalk uit het buitenland kwam stil te liggen en de prijzen stegen snel. In haar jaarverslag over 1917 constateerde de Kamer van Koophandel van Deventer dat de prijs van schelpkalk sinds het begin van de oorlog verdubbeld was. Een prijsniveau dat – zoals achteraf zou blijken – pas ver na de Tweede Wereldoorlog opnieuw zou worden bereikt.
De gebroeders Trip
Toen hij ruim tien jaar aan de Snipperling gewerkt had, liet Kruissink de kalkfabriek op 23 juni 1908 onder de hamer brengen. Kopers werden de twee broers Joan Antonius Josef Trip en Gerardus Johannes Marie Trip, kalkfabrikanten in respectievelijk Coevorden en Dedemsvaart. Ze betaalden f 16.000,- voor de fabriek en waren verplicht de voorraden turf, schelpen en kalk tegen marktprijzen over te nemen. Om een indruk te geven van de prijzen in die tijd: de turf moesten ze kopen à 3 gulden per 1000 stuks, de schelpen à 22 cent per hectoliter, de gezeefde kalk à 42 cent per hectoliter en de ongezeefde kalk à 37 cent per hectoliter. Beide broers kenden het klappen van de zweep, want al enkele generaties lang had de familie Trip zich met de kalkbranderij beziggehouden. Zo bezat dit, oorspronkelijk uit Utrecht afkomstig, patriciersgeslacht in de achttiende eeuw reeds kalkovens in de provincie Utrecht.
In 1848 kocht Joan Trip vier kalkovens in Dedemsvaart, indertijd gebouwd door baron Van Dedem. Joan’s zoon Willem Jan Laurentius Trip zou later naar Dedemsvaart verhuizen om zich er met de dagelijkse leiding van de branderij te belasten. Na diens dood werd zijn plaats in 1898 ingenomen door zijn tweede zoon Gerard J. M. Trip. Zijn oudste zoon Joan A. J. Trip was inmiddels in Coevorden voor zichzelf begonnen. Het is niet onmogelijk dat Hendrik Kruissink, de oprichter van de kalkfabriek aan de Snipperling die ook in Dedemsvaart gewoond heeft, in de kalkbranderij van de Trippen het vak had geleerd. Beide broers Trip hebben zich in Colmschate nooit daadwerkelijk met de dagelijkse leiding van het bedrijf beziggehouden. Ze benoemden hun jongere broer Andreas Ignatius Antonius tot directeur. Op 6 november 1908 stond de volgende advertentie in de Deventer Courant:
“Ondergetekende bericht hiermede dat zijne kalkbranderij aan de Snipperling in andere handen is overgegaan, dankt zijne begunstigers voor het genoten vertrouwen en beveelt zijne opvolger gaarne aan. H. Kruissink. Mij refererend aan bovenstaand houd ik mij beleefd aanbevolen voor levering van prima kwaliteit SCHELPKALK en zal voor accurate bediening worden zorg gedragen. Schelpkalkbranderij ‘Snipperling’, Dir. Ign. Trip”.

Jac. Trip vlak na zijn pensionering
Vier jaar later kreeg de kalkbranderij opnieuw een andere eigenaar, maar ditmaal bleef het in de familie. Op 21 december 1912 passeerde bij notaris Berendsen in Dedemsvaart de akte waarmee beide broers Trip hun kalkfabriek aan de Snipperling aan hun één na jongste broer Jacobus Gerardus Maria (Jaq.) Trip verkochten voor een bedrag van f 11.600,-. Directeur lgnaat Trip vertrok naar Lochem waar hij zich als handelaar in bouwmaterialen vestigde. De koopakte geeft een aardig beeld van de kleinschaligheid van de onderneming aan de Snipperlingsdijk:
De schelpkalkfabriek bestaat uit 3 ovens, loods en erf, groot 10 aren, met alle daartoe door bestemming behorende goederen als: 3 kalkzeven met 2 stoelen en stofkast, 5 schelpenbakjes, 6 turfkruiwagens, 9 kruiplanken, 2 ladders, enige bezems, enige kalk- en schelpschoppen, enige honderden kalkzakken, benevens een tafel en vier stoelen.
