Galgenbelt Deventer

De Galgenbelt is op deze kaart uit 1649 linksboven naast de leeuw ingetekend. Ook de galg op het Justitiebolwerk is aangegeven
Fundering van het schavot op de Brink

De Galgenbelt of Galgenberg was het belangrijkste galgenveld van de Nederlandse stad Deventer. De lichamen van veroordeelde misdadigers werden er prijsgegeven aan de elementen en de kraaien. In 1362 wordt er voor het eerst melding van gemaakt, de naam is dan nog Galghenberch.

Rechtspraak

De oudst bewaarde aantekeningen uit 1448 over het in Deventer gehanteerde recht beginnen met de woorden “hals weder hals, hand weder hand” (oog om oog, tand om tand). Deventer kende zoals andere grote steden een eigen rechtspraak met de bevoegdheid doodstraffen te vorderen. Executie door onthoofding, ophanging, radbraken of anderszins vond in de middeleeuwen plaats op het Grote Kerkhof bij het stadhuis en de Lebuinuskerk. Later werd een schavot opgericht op de Brink, het belangrijkste plein van de stad. De uitvoering van de straffen was door iedereen bij te wonen.

Wat er na de executie met het dode lichaam gebeurde was afhankelijk van de uitspraak van de rechtbank, het vormde een onderdeel van de straf. Soms werd toegestaan het te begraven, maar vaker moest het buiten de stad aan een galg ophangen worden. Ook werd het lichaam wel neergelegd op een radstake, een wiel hoog op een paal. Deze publieke ontering van het stoffelijk overschot en de ontzegging van een christelijke teraardebestelling gebeurde ter waarschuwing en afschrikking van al degenen die wellicht kwaad in de zin hadden.

Het Deventer galgenveld werd ook gebruikt voor veroordeelden van het gerecht van het schoutambt Colmschate.

Situering

De Galgenbelt van Deventer was een van de zeven Deventer ‘heuvels’, rivierduinen, die in het Pleistoceen door verstuiving van zand uit de stroomvlakte van de latere IJssel waren gevormd. Andere plaatsen die gezien de naam en vermelding op oude kaarten bij Deventer als gerechtsplaats gebruikt werden zijn de Ravensweerd, de Radstake en het Justitiebolwerk. Al deze plaatsen lagen ten noorden van de stad.

In 1795 werden openbare terechtstellingen en galgenvelden door de landelijke overheid afgeschaft, maar nog in 1889 werd een gedeelte van de weg richting Diepenveen de Galgeweg genoemd. De Galgenbelt lag in een gebied waar landbouw werd bedreven, de Deventer enk. De hoogte is rond 1930 geëgaliseerd ten behoeve van woningbouw ter plaatse. Aangenomen wordt dat de galg ongeveer stond waar nu de President Steynstraat de Hoge Hondstraat kruist.

Schoutambt Colmschate

Het schoutambt Colmschate aangegeven op een kaart van Salland uit 1757

Het schoutambt Colmschate was een schoutambt bij de Nederlandse stad Deventer in het zuidwesten van Salland, provincie Overijssel. Het werd eeuwenlang bestuurd vanuit Deventer maar kreeg in 1811 de status van zelfstandige gemeente onder de naam Diepenveen.

Het rechtsgebied van het schoutambt ontstond in de late middeleeuwen en besloeg de marken Rande, Tjoene, Borgelo, Averlo, Gooij en Oxe. De hogere rechtspraak viel onder de landsheer van Overijssel, dat was aanvankelijk de bisschop van Utrecht en later Karel de Vijfde en diens opvolger Philips de Tweede. Aan de zuidzijde grensde het schoutambt aan het hertogdom Gelre. Er was in de middeleeuwen dan ook een verdedigingslinie in de vorm van de Sallandse landweer aangelegd. In 1576 kreeg de stad Deventer als onderpand voor een grote geldlening de zeggenschap over het gebied. De lening werd nooit terug betaald, maar gedurende de Franse tijd werd het schoutambt aan Deventer onttrokken en ontstond de gemeente Diepenveen. Die zou ten slotte in 1999 integraal onderdeel gaan uitmaken van de gemeente Deventer.

Het schoutambt bestond tot in de negentiende eeuw voor het overgrote deel uit heidevelden en moerassen. Landbouw was mogelijk op zandgronden die verrijkt werden met heideplaggen, dierlijke mest en stadsmest. Door het graven van waterlopen zoals de Zandwetering en de Soestwetering werd gepoogd de vaak zeer natte gebieden te ontwateren. Tegen het jaar 1600 was 10 procent van de gronden in gebruik bij landbouwers. In de negentiende eeuw kwamen er met behulp van groenbemesting en kunstmest grootschaliger ontginningen en werden op voor landbouw ongeschikte gronden bossen aangelegd.

In het schoutambt waren tot de reformatie twee vrouwenkloosters gevestigd; het klooster Diepenveen was in het jaar 1400 vanuit de beweging der Moderne Devotie gesticht in het noorden van het rechtsgebied en Maria ter Horst of Ter Hunnepe van de Cisterciënzer orde dat aan de Schipbeek in het zuiden lag. Het laatste was waarschijnlijk al rond 1225 gesticht. De kloosters hadden veel van de boerenhoeven in het schoutambt in eigendom.

© Copyright - Historisch Deventer