Ziekenhuis
Fermerie
In 1350 sloeg de pest in Deventer hard toe. Normaal in Deventer 1 persoon per jaar maar nu waren het dat er 54. En dat betrof nog maar een deel van de bovenlaag van de bevolking. Tot de slachtoffers behoorden de beide ouders van Geert Grote, die zelf in 1384 eveneens aan de pest zou sterven. Ongeveer 100 jaar na deze uitbarsting van de Zwarte dood (de pest) werden in veel steden pesthuizen gesticht. Ze werden van de rest van de samenleving afgezonderd. In Deventer kwam het Sint Geertruiden- of Pestengasthuis tot stand. In ieder geval was dat er al in 1472. Het stond aan de Molenstraat. Waar nu het buurthuis de Fermerie staat, een restant van het oorspronkelijke ziekenhuis. Enkele keren kwam de pest terug in Deventer en wel in 1636, 1655, 1656 en 1665. Na de laatste epidemie verordonneerde de stadsregering dat huizen waar besmetting met de pestbacil was vastgesteld, met een P moesten worden gemerkt.

De naam Fermerie komt van het Franse woord ‘infirmerie’, dat ziekenhuis betekent. Het gebouw dat hier op de plaats van de Fermerie van 1470 tot 1883 heeft gestaan was het Sint Geertruidengasthuis , de voorloper van het Sint Geertruiden Ziekenhuis, dat rond 1880 aan de Singel werd gebouwd. Het gasthuis was op de eerste plaats bedoeld voor armen. Na het uitbreken van de pest moesten hier lijders aan deze ziekte worden opgenomen. Voor andere hulpbehoevenden was er dan nauwelijks plaats. In latere tijd werden de taken van het gasthuis verder uitgebreid. Er waren nog geen geneesheren aan dit huis verbonden. Slechts een enkele keer werd van buitenaf de hulp van een dokter, toen chirurgijn genoemd, ingeroepen. Het huis is in de loop der jaren enkele keren verbouwd en het kreeg ook een eigen kapel en kerkhof. In de tuin werden barakken voor lijders aan besmettelijke ziektes gebouwd.
Sint Geertruiden Gasthuis
Poort lijkenhuis c.q. mortuarium van het ziekenhuis (ook Pestengasthuis genoemd)
Tussen 1347 en 1451 vielen naar schatting een derde van alle Europeanen ten slachtoffer aan deze ziekte, die ook wel ‘de Zwarte Dood’ werd genoemd. De meest voorkomende vormen van pest waren de builenpest en de longpest. De ziekte werd door rattenvlooien op mensen overgebracht.
Ook in Deventer nam in de veertiende eeuw de bevolking met een derde af vanwege de pest. Voor het eerst gebeurde dat in 1349 en 1350; voor het laatst in 1636. In die tweehonderd jaar kwam de pest regelmatig terug, zoals in 1384, toen Geert Grote er aan stierf. In 1398 werd het aantal doden door een ooggetuige van de Zusters van het gemene Leven op vijftig oer dag geschat. Vaak kregen de joden de schuld van het uitbreken van deze ziekte. Zij zouden de waterputten vernietigd hebben. De Broeders en Zusters van het Gemene Leven zetten zich in voor de verzorging van pestlijders.
In de tweede helft van de 15e eeuw werd in het Noordenbergkwartier een gasthuis gesticht dat uitgroeide tot het pestengasthuis, meestal aangeduid als Sint‑Geertruiden- of Pestengasthuis. Het lag op de plek van de huidige Fermerie aan de Molenstraat, en diende oorspronkelijk als armenhuis, later vooral voor pestlijders en vanaf de Tachtigjarige Oorlog ook als militair hospitaal.
Bij het pestengasthuis hoorde een karakteristieke toegangspoort, het “poortje”, dat na de bouw van het Sint‑Geertruidenziekenhuis aan de Singel is verplaatst. Aan het eind van de 19e eeuw werd dat poortje namelijk overgebracht naar de Singel, als historisch element bij het nieuwe ziekenhuis. (zie foto)
De Poort Mortuarium is de monumentale toegangspoort van het voormalige Pestengasthuis (ook wel Sint-Geertruidengasthuis) in Deventer. De Latijnse aanduiding “Porta Mortuarium” betekent letterlijk “Poort van de doden” of “Poort van het mortuarium”.
Dit pestengasthuis vormt een belangrijke schakel in de ontwikkeling van de Deventer ziekenhuiszorg, die uiteindelijk leidde tot het Sint‑Geertruidenziekenhuis aan de Singel in 1884.
Sint Geertruid werd vereerd als beschermheilige van de pestlijders. In een gewelfschildering in de Grote of Lebuinuskerk staat zij afgebeeld met twee ratten onder haar voeten.
De huidige zandstenen poort dateert uit 1618. Boven de doorgang bevindt zich een reliëf waarop een stervende pestpatiënt op een bed is afgebeeld, omringd door verzorgers. Daarnaast zijn het stadswapen van Deventer en een Latijnse inscriptie aangebracht. De poort geldt als een van de weinige tastbare herinneringen aan de pestepidemieën die Deventer tussen de veertiende en zeventiende eeuw herhaaldelijk troffen. Een bijzonder detail is de inscriptie “Porta Mortuarium”. Deze verwijst niet alleen naar de toegang tot het gasthuis, maar vooral naar het gedeelte waar overledenen werden verzorgd voordat zij werden begraven.
Het huidige mortuarium van het Deventer Ziekenhuis is een moderne faciliteit waar overledenen worden verzorgd nadat iemand in het ziekenhuis is overleden. Hoewel het mortuarium functioneel gezien in het verlengde ligt van de zorg voor zieken en overledenen in de historische gasthuizen, is het architectonisch en organisatorisch een eigentijdse voorziening binnen het ziekenhuiscomplex. De fysieke nabijheid van het oude pestpoortje bij het huidige ziekenhuis legt daardoor een interessante historische lijn tussen middeleeuwse opvang van pestlijders en hedendaagse ziekenhuis- en uitvaartzorg. Daarmee vormt de poort een zeldzaam en indrukwekkend monument van de medische en sociale geschiedenis van Deventer.


Het Sint Geertruiden Gasthuis heeft geen artsen in vaste dienst. Er zijn alleen huisartsen, die stadsartsen worden genoemd, op afroep beschikbaar. Van verpleegkundigen heeft niemand in die tijd gehoord. Een moeder zorgt voor de patiënten, met de hulp van enkele meiden. De zorg die ze bieden is het verschonen van patiënten op zaterdag, voor hen koken, wassen en nachthemden en handdoeken naaien. Per zaal hebben de zieken één handdoek. Patiënten die niet bedlegerig zijn, helpen mee in de huishouding.
Nieuwbouw en groei
In de 19e eeuw bloeit de medische wetenschap in hoog tempo op. Steeds meer patiënten komen naar het ‘St Geertrui’ en het ziekenhuis groeit uit zijn voegen. In 1884 opent het een nieuw gebouw aan de Singel. Voor f 150.000,- inclusief inrichting en stoffering.

Het Sint Geertruiden Ziekenhuis ontwikkelt zich snel. De ongeschoolde moeders en meiden maken plaats voor gediplomeerde verpleegsters en de eerste artsen worden verbonden aan het ziekenhuis. Er verandert ook veel op technisch gebied. Er komt bijvoorbeeld een laboratorium en een echte operatiekamer. Die laatste kijkt bovendien niet meer uit op straat, zodat mensen zich niet meer voor de ramen kunnen verdringen om ongezouten kritiek te leveren op de chirurgen.

Wijngaardstraat later Fesevurstraat genoemd.
In 1914 werd de Ontsmettingsdienst, die ook voor de wijde omtrek werkte, gereorganiseerd en werd Dr. A. Fischer tot leider benoemd. In 1915 werd naar ontwerp van de in dat jaar in dienst getreden gemeentearchitect Wilhelm Uytenhoudt (1876-1964) een geheel nieuw Ontsmettingsgebouw met nieuwe oven neergezet op een plek direct naast het pas aangekochte terrein voor een nieuw ziekenhuis aan de Wijngaardstraat de latere Fesevurstraat. In het midden het “besmette gedeelte”, rechts een wagenloods voor het “besmettelijke-ziekten-rijtuig” en links een verblijfsruimte. Het gebouw had voorts kamers voor mensen, wier woning werd ontsmet van ongedierte. Ook schoolgebouwen werden ontsmet. Het gebouw werd op 17 juni 1916 officieel geopend.
Wanneer een foto uit 1926 het onderschrift “Ontsmettingsdienst Fesevurstraat” draagt, kan dat verwarrend zijn, omdat de huidige straatnaam pas veel later ontstond. Vaak zijn dergelijke onderschriften achteraf toegevoegd op basis van de huidige locatie. Het gebouw kan dus in 1916 al als ontsmettingsinrichting hebben bestaan op het terrein waar later het ziekenhuiscomplex verrees. In 1926 was de Gemeentelijke Ontsmettingsdienst van Deventer gevestigd aan de Wijngaardstraat.
Later werd deze straat hernoemd naar dokter H.J.P. Fesevur, de eerste geneesheer-directeur van het Geertruidenziekenhuis. Het nieuwe ziekenhuis aan de Fesevurstraat en werd in 1940 geopend.
De vermelding “Ontsmettingsdienst, Wijngaardstraat,
or de bestrijding van besmettelijke ziekten. In de 19e eeuw kwamen er nog veel gevaarlijke besmettelijke ziektes voor, zoals cholera, pokken, tyfus, dysenterie, tuberculose, roodvonk en mazelen. In 1855 stierven in Deventer 17 mensen aan cholera en in 1859 vielen 20 kinderen ten slachtoffer aan een tyfusepidemie.
In de eerste helft van de 20e eeuw hadden veel Nederlandse gemeenten een eigen ontsmettingsdienst waar kleding, beddengoed, meubels en soms zelfs woningen werden ontsmet na ziektegevallen. Voor Deventer is bekend dat het gebied rond de latere H.J.Ph. Fesevurstraat sterk verbonden was met de gezondheidszorg.



1916 Deventer-Wijngaardstraat-Gebouw Gemeentelijke Ontsmettingsdienst
De Fesevurstraat
Rond 1910 wordt er geroepen om een compleet nieuw ziekenhuis. Voor die er daadwerkelijk komt is het 1940. In dit eerste oorlogsjaar verhuizen personeel en patiënten per bakfiets en ambulance naar een nieuw ziekenhuis aan de Fesevurstraat.
Het ziekenhuis speelt direct een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog. Zo worden herhaaldelijk mensen opgenomen die op de vlucht zijn. Als de Duitsers lucht krijgen van deze ‘immitatiepatiënten’ zorgt het ziekenhuis ervoor dat zij ‘echt’ ziek worden. Zo bezorgt een huidarts de patiënten een onschuldige, maar vervaarlijk uitziende uitslag. Na de oorlog breekt neemt technologie een hoge vlucht. Artsen beheersen meer specialismen en stellen eisen aan ruimte, apparatuur en assistentie. Om hieraan te voldoen, besluit het ziekenhuisbestuur in 1958 tot nieuwbouw naast het bestaande gebouw. In 1973 wordt het nieuwe complex aan de Fesevurstraat betrokken.

Geertruidenziekenhuis met 2 vleugels.
Het Sint Jozef Ziekenhuis

Het Sint Jozef Ziekenhuis heeft een veel kortere geschiedenis dan het Sint Geertruiden ziekenhuis. Het opent pas in 1875 in de Bruynssteeg in Deventer. De Zusters van Liefde verplegen hier de zieken. Het ziekenhuis is met name bedoeld voor arme mensen en mensen die het katholieke geloof de rug hebben toegekeerd. Een liefdevolle verpleging door religieuzen zou een positieve invloed hebben op het zieleheil van deze patiënten, meent men in die tijd. De eerste artsen die regelmatig in het ziekenhuis werken, zijn chirurgen. Zij werken ook in het Sint Geertruiden Ziekenhuis. De aanstelling van artsen is verre van eenvoudig. Zo wordt in 1927 een arts voor huid- en geslachtsziekten niet toegelaten in het Sint Jozef Ziekenhuis. Zijn patiënten kunnen worden verpleegd door vrouwen, laat staan door de nonnen.
Uitbreiding

Wat voor het Sint Geertruiden Ziekenhuis geldt, is ook bij het Sint Jozef Ziekenhuis het geval: medisch-technische vooruitgang en organisatorische ontwikkelingen nopen het ziekenhuis tot aanpassing en uitbreiding. In 1897 betrekt het Sint Jozef een pand aan de Nieuwstraat. De bouw kost echter veel meer geld dan verwacht. Om meubilering, gasverlichting en instrumentarium te kunnen aanschaffen, besluit het Sint Jozef ziekenhuis een loterij op touw te zetten. Hoofdprijzen zijn onder andere zilveren kelken en kaarsenstandaards die een pastoor het ziekenhuis heeft nagelaten. Het slaagt, maar al snel blijkt het nieuwe onderkomen niet te voldoen aan de eisen van die tijd. Alleen nieuwbouw kan een oplossing bieden. Het ziekenhuisbestuur rekent en cijfert, maar nieuwbouw valt niet te betalen.
St. Jozef kinderzaal

In plaats daarvan volgt een onafzienbare reeks van verbouwingen. Uiteindelijk komt de nieuwbouw er toch, in de Van Oldenielstraat. Maar dan is het al 1956, een kleine dertig jaar voor het einde van het Sint Jozef Ziekenhuis.
Deventer Ziekenhuis
Het Sint Jozef Ziekenhuis en het Sint Geertruiden Ziekenhuis zijn van oudsher sterk op elkaar gericht. Specialisten werken in beide ziekenhuizen, ze delen een gezamenlijke apotheek en bloedbank en stellen samen opleidingsprogramma’s op. Directe samenwerking op het gebied van patiëntenzorg blijft echter lange tijd taboe. Zo vindt het Sint Jozef Ziekenhuis dat een niet-katholieke verpleegster aan het bed niet kan. Langzaamaan verkleinen de verschillen echter en op 1 januari 1985 wordt de stap gezet: de ziekenhuizen fuseren. De naam wordt Stichting Deventer Ziekenhuizen, kortweg Deventer Ziekenhuis.
Een nieuw gebouw
De fusie verloopt goed, maar de twee afzonderlijke locaties blijven bestaan. Een samenvoeging en renovatie van de gebouwen wordt overwogen, maar al snel blijkt dat volledige nieuwbouw efficiënter is. De bouwplannen stranden in 1997, maar op 11 mei 2004 gaat dan toch de eerste paal de grond in voor een geheel nieuw ziekenhuis. Aan de Oostkant van Deventer – op de Rielerenk – verschijnt hét ziekenhuis van de 21e eeuw. Een gedachte die niet alleen tot uitdrukking komt in een nieuw gebouw, maar ook in een andere manier van werken. Daarvoor gebruikt het ziekenhuis het mede door hen ontwikkelde meerstromenmodel en een visie op vraaggestuurde zorg.

