Walstraat

 

Het ontleent zijn naam aan het feit dat het in vroeger tijd het noordoostelijk gedeelte van de stadswal en de stadsmuur volgde. De straat begint bij het Bergkerkplein en de Prinsenplaats, aan de voet van de Bergkerk, en loopt tot aan de Keizerstraat. Zijstraten die erop uitkomen zijn de Damstraat en de Golstraat. In de straat bevinden zich tal van gerestaureerde oude panden en vormt thans het decor van de jaarlijks terugkerende Dickens Festijn.

Geschiedenis

De straat maakt deel uit van het historische Bergkwartier, een middeleeuwse uitbreiding van de stad, en dankt haar naam aan de stadswal die achter de straat gelegen was. De straat vormde de verbinding tussen de Bergpoort en de Brinkpoort.

Van 1818 tot 1905 bevond zich in de straat een vrouwengevangenis (huidige nummer 20), waar na de Tweede Wereldoorlog vrouwelijke leden van de NSB gevangen werden gezet. Radioverslaggever en Go Ahead-oprichter Han Hollander groeide op in de Walstraat. Het woonhuis bevond zich op de plek waar in 2008 een doorbraak werd gemaakt naar de Boreelkazerne. De Walstraat raakte, net als de rest van het Bergkwartier, sterk verpauperd, maar werd na de jaren ’60 volledig gerestaureerd. Er zijn kleine winkels in het duurdere marktsegment.

De Walstraat kreeg bekendheid dankzij het Dickens Festijn dat jaarlijks in de stad wordt gehouden. De straat vormt de toegang tot dit evenement waarbij honderden bewoners en anderen op straat te zien zijn in kleding uit de victoriaanse tijd. In dat feestweekend bezoeken meer dan 100.000 mensen de Walstraat. Het is ook de voetgangersverbinding tussen het centrum van Deventer en het winkelgebied op het terrein van de voormalige Boreelkazerne. Een bekende en veelbezocht winkel in de Walstraat is D’Olde Bakkerieje, een kunst- en curiosawinkeltje.

Achterzijde Walstraat in krijt door Alex Dorgelo uit 1910.

Schilderij is een stadsgezicht van Deventer, geschilderd door de 19e-eeuwse kunstenaar Adrianus Eversen rond 1860–1866.

  • Schilderij Achterkant Walstraat met binnengracht: Een typisch romantisch stadsgezicht met historische huizen, een ronde toren en een kade aan het water.
  • Kunstenaar: Adrianus Eversen (1818-1897), bekend om zijn sfeervolle en deels gefantaseerde Hollandse stads- en dorpsgezichten.
  • Locatie: Gebaseerd op de omgeving van de Walstraat in Deventer in de 19e eeuw.

Dit schilderij toont een historisch gezicht op de achterzijde van de huizen aan de Walstraat met de Bergkerk op de achtergrond in Deventer.

Kenmerken van de locatie

  • Onderwerp: De achterkant van de historische bebouwing aan de Walstraat grenzend aan de gracht, waar vroeger de stadsmuur stond.
  • Blikvanger: De Bergkerk (Sint-Nicolaaskerk) die uitornamenteert boven het Bergkwartier.
  • Details: Aan de waterkant is te zien hoe de was wordt gedaan en te bleken wordt gelegd aan de oever.

Damstraat-Walstraat

De achterzijde van de bebouwing aan de Walstraat getekend door Cornelis Springer in 1866. De vestingtoren uit de 14de eeuw die in 1344 als ‘Nova Turris’, nieuwe toren in de stadsrekeningen voorkomt, werd in 1873 afgebroken voor de nieuw aan te leggen Damstraat. De stadsmuren waren toen al grotendeels verdwenen. Door de sloop van de binnenste muur konden de ondiepe huisjes uitgebouwd worden in de richting van de gracht. De plaats van de buitenste muur is op de tekening goed herkenbaar aan de trappen waarmee de oever van de gracht bereikbaar was. (Collectie Museum De Waag)

Getekend door Cornelis Springer in 1866.

Pestepidemie

“De Pestepidemie en de Zwarte Dood in de Walstraat” is een bekend Deventer volksverhaal over de angstaanjagende Pestepidemieën in Deventer die de stad teisterden tijdens de 14e en 17e eeuw. Dit historische verhaal schetst hoe de smalle, destijds duistere Walstraat veranderde in een brandhaard van angst, isolatie en de dood. 
Het volksverhaal en de Pestmeester
Wanneer de Zwarte Dood in Deventer om zich heen greep, werden zieke stadsgenoten direct in strikt isolement geplaatst. Om grootschalige paniek onder de burgerbevolking te voorkomen, reed men de doden ’s nachts in het diepste geheim op houten karren de stad uit. 
Centraal in deze overlevering staat de mythische figuur van de Pestmeester. Volgens het volksverhaal was deze verschijning geen mens van vlees en bloed, maar de angstaanjagende verpersoonlijking van de dood zelf: 
    • Hij droeg een mysterieus, lederen vogelmasker met een opvallend lange snavel.
    • Hij dwaalde door de pikdonkere, smalle steegjes van het middeleeuwse Bergkwartier.
    • Als hij stilstond bij een specifiek woonhuis en drie keer met zijn houten stok op de straatkeien tikte, wist de familie binnen dat er diezelfde nacht nog iemand aan de pest zou sterven. 

De historische realiteit
Hoewel het volksverhaal de Pestmeester als een bovennatuurlijk wezen omschrijft, is zijn verschijning gebaseerd op de werkelijke medische praktijk uit die tijd. Medici droegen destijds daadwerkelijk dit soort maskers om zichzelf te beschermen. Men geloofde destijds dat de pest werd overgedragen via miasma (slechte, besmette lucht). De opvallende vogelbek van het masker werd daarom volgestopt met sterke kruiden en specerijen om de lucht te zuiveren voor de drager. Pas veel later werd ontdekt dat de ziekte in werkelijkheid werd veroorzaakt door de Yersinia pestis-bacterie, verspreid door vlooien op ratten.

Transportbedrijf Klunder

Dames Klunder is de grondlegger van het transportbedrijf Klunder. Hij was een wortelboer in de Walstraat en verkocht o.a. melk, aardappels en wit zand voor vloeren.
Familie Klunder (Walstraat) – Van ’t platteland naar de stad.
De Klunders woonden en werkten in Diepenveen op een vrij kleine boerderij achter ’t Wetermans. Omstreeks 1860 verhuisden ze naar de Moespot, ook in Diepenveen, en in de jaren zestig trokken ze naar de stad. Daar vonden ze eerst domicilie in de Papenstraat en verhuisden omstreeks 1870 naar de Smedenstraat. Daar woonde de familie een jaar of dertig en in 1902 vestigde men zich aan de Walstraat 104. Dat pand wordt door de Klunders beschouwd als het ouderlijk huis. De familie woonde er tot 1964. Toen waren alle kinderen volwassen en stonden op eigen benen. Het bedrijf was ook uit z’n voegen gegroeid en men keek uit naar een groter perceel. Dat vond men op het industrieterrein en het bedrijf werd overgebracht naar de Staverenstraat. Inmiddels is het historisch pand gerestaureerd en zodoende behouden voor het nageslacht.
Begin 1900 hadden de Klunders te maken met een nu wel haast ondenkbare klus, namelijk het in de vroege morgen overeind helpen van de paarden. Alleen de grote slepersbedrijven konden zich sterke jonge paarden veroorloven. De kleinere, zoals dat van Klunder, moesten het doen met de oudere dieren. Het was dan ook de taak van de jongelui om die stramme paarden ’s morgens „op te beure”. Het was overigens handig om die slag beet te hebben, want ook tijdens het werken gebeurde het wel dat de paarden uitgleden en vielen waarbij ze weer overeind geholpen moesten worden.
Concurrent Zunnenbarg
In de beginjaren van de onderneming waren de Klunders bepaald niet de enigen die transportwerk deden in Deventer en de Sallandse regio. Een bekende collega-concurrent in die dagen was Sonnenberg, in de volksmond „Zunnenbarg” geheten. De Klunders verrichtten geregeld hand- en spandiensten voor Sonnenberg; vooral op zondagen, want dan was het in de regel nog drukker dan door de week. De paarden van Willem Klunder en zijn zoons waren dan welkom als aanvullende trekkracht. Aan deze samenwerking kwam omstreeks 1872 een eind. De zoon van Willem Klunder verongelukte toen hij van de bok van een „kuupers wagen” viel en onder de wielen kwam. De zondag daarop weigerde broer Dames voor Sonnenberg uit te rijden. Dat werd de Klunders zeer kwalijk genomen en dit gebrek aan begrip was voor hen aanleiding verder geen zaken meer met Sonnenberg te doen. Gelukkig zaten ze om werk niet verlegen. Grote klanten waren in die tijd Ankersmit, Van der Lande, Stoffel en F. ten Zuythof. Voor deze relaties werden onder meer vervoerd: kolen, grote stoomketels, molenwieken, molenstenen en bomen. Verder maakten ze veel ritten voor de St. Jozefgezellen, een katholieke werknemersorganisatie uit die dagen.
Een heel avontuur voor Dames Klunder senior: het afleveren van een luxe rijtuigje in Amsterdam. Hij was nog nooit voorbij Apeldoorn geweest. Voor dit karwei werd een goedkoop paard aangewezen, een scharminkel dat maar f 17,50 had gekost en dat het lichte voertuigje nog net kon trekken. In Amsterdam had Dames de hulp van een bakkersknecht nodig om op het goede adres te arriveren en ook op de terugweg, die op de paardenrug werd afgelegd, had hij de nodige moeite om de juiste route te vinden. Na vier dagen kwam hij tenslotte behouden thuis. De kapelaan informeerde belangstellend naar zijn wedervaren en zei dat het hem wel aardig leek zo’n ritje te paard van Amsterdam naar Deventer. Waarop Dames, zuur lachend: „Nou, dat valt nog behoorlijk tegen, eerwaarde. Dat paard was zo mager dat je er eigenlijk eerst een zak haksel op moet leggen”.
Bij het ruimen van de beerput bij Gaitman Voortman, die in het Bergkwartier een herberg exploiteerde, hielp de caféhouder eigenhandig mee want Dames Klunder was alleen gekomen. „Drie tellen en dan kiepen”, waarschuwde Klunder. Maar Hendrik was te laat en kreeg de inhoud van de ton over zich heen. Een kwalijk riekende ervaring voor de arme café-houder. Als Klunder hem later weer vroeg, mee te helpen dan was ook steevast zijn antwoord: „Verrek”
© Copyright - Historisch Deventer