Bergkwartier

Aan de voet van het Bergkwartier.

De parel van de Deventer binnenstad is ongetwijfeld het Bergkwartier. Vanwege oorlogsschade en de verpaupering na de Tweede Wereldoorlog met daarnaast het geldgebrek om de schade te herstellen, ontsprong de buurt de naoorlogse sloopwoede die vele historische Nederlandse steden als Dordrecht en Amsterdam trof. Precies op het moment dat de ‘stadsvernieuwing’ onherstelbaar zou toeslaan, werd gelukkig vanuit de Deventer bevolking stadsherstel in plaats van stadsvernieuwing ingezet. Er werd veel moeite gedaan om de middeleeuwse en vroegmoderne glorie van het Bergkwartier terug te brengen. Uit een gebombardeerde en verpauperde achterbuurt waar niemand meer wilde wonen, ontstond in nog geen tien jaar een kwartier waar zich opnieuw de Deventer avant garde vestigde. Het Bergkwartier ondervindt nu een grote cultuurhistorische waardering en vormt daarmee een belangrijke toeristische trekpleister. Naast deze ontwikkelingen bestonden echter ook problemen. Vooral in het gebombardeerde gebied aan de voet van het Bergkwartier: de Rijkmanstraat, Achter de Muren Zandpoort en Bokkingshang werden huizen niet of slechts gedeeltelijk weer opgebouwd. De wederopbouw bestond uit naoorlogse architectuur zoals de Loge van de Vrijmetselaars en de panden van het Leger des Heils aan de Rijkmanstraat. Deze bouwstijlen krijgen in de 21de eeuw steeds meer waardering. De Munt en Muntentoren werden – enigszins historiserend – volledig in oude allure hersteld.

Aan de voet van dit Bergkwartier ligt ook het gebied “de Zandpoorten”. Vanaf de 14de eeuw komt het gebied van “de Zandpoorten” regelmatig in de historische bronnen tevoorschijn. Deze Informatie komt vooral uit de Cameraarsrekeningen, de Stadsrekeningen en de Resolutieboeken van het stadsbestuur. Met deze gegevens kan overigens slechts een beperkt beeld worden verkregen over wat er zoal in het gebied gebeurde. De middeleeuwse schrijvers van de gegevens hadden immers geen accurate geschiedschrijving op het oog maar werden geleid door praktische zaken als waterstaatkundige ingrepen, ordehandhaving, militaire doelen,belastingheffing, logistieke zaken en bouwtechnische veranderingen.

Historisch gezien is dit een belangrijk gebied zo tussen de binnenste Zandpoort, en wat er buiten deze poort gebeurde, de ontwikkelingen rond de bouw van de buitenste Zandpoort en wat zich toen tussen de muren en tussen de poorten afspeelde, wat er in die tijd en later in de torens, de muurbogen en op de straat gebeurde, maar ook wat vóór de poort plaatsvond. De gegevens blijven echter vaak moeilijk te plaatsen, echter gesteld kan worden dat het gebied van de beide Zandpoorten de mond van de vermoedelijk deels natuurlijke en deels gegraven gracht was die buiten de ‘Vikingwal’ op de locatie van de huidige Brink liep.

De gracht gesitueerd op de huidige Brink werd voor de 12de eeuw gedempt, waarna er in de 12de tot 14de eeuw een aanvankelijk zeer drassig marktveld ontstond. De geul waardoor bij hoog water, het water vanuit de Schipbeek-IJssel de huidige Brink op liep, werd in ieder geval vóór de 14de eeuw definitief afgesloten. Mogelijk dat er voorafgaand aan de bouw van de 14de eeuwse (binnenste) bakstenen stadsmuur mogelijk al (ver)voor 1225 een aarden wal ter bescherming van het Bergkwartier heeft gelegen. Onder een tufstenen waltoren bleek een aarden wal uit de periode vóór 1250 te liggen. De wal op het lagere tracé zou wellicht de route van de Rijkmanstraat hebben gevolgd om daarna over te steken ter hoogte van de Boterstaat en vervolgens aan de buitenzijde van de Polstraat richting de Melksterstraat verder te lopen. Met de dijkbrief van 3 juni 1308 kreeg Deventer formele toestemming van de Utrechtse bisschop Guy van Avesnes voor het bouwen van dijken. Gezien echter de grote problemen met overstromingen van de IJssel lijkt mogelijk al vóór die tijd te zijn begonnen met dijkbouw op plaatsen waar dat het hardst nodig was. Een dijk en tevens stadswal tussen Rijkmanstraat en Melksterstraat lijkt in dit opzicht een logische waterbouwkundige ingreep. Een coupure als een af te sluiten doorgang met poortfunctie hield de stad dan bereikbaar. Bewijzen echter hiervoor zijn tot op heden afwezig. De vroegste vermelding van de Zandpoort komt uit de stadsrekening van 1337. Hier wordt de poort ‘Porta Arene’ 😊 Zandpoort) genoemd. De poort functioneerde toen al en is dus vóór die tijd gebouwd. Uit de Cameraarsrekeningen, opgesteld in het Latijn van 1339-1340, blijkt dat het om een (deels) bakstenenpoort gaat die aan de kruising Boterstraat-Brink ligt. Uit de gegevens over de sloop in 1669 blijkt dat de poort deels uit tufsteen was gebouwd. Johannes van Arnhem, steenbakker, krijgt geld voor het leveren of bouwen van een (nieuwe) toren die de Brink afsluit. Theoderik ter Poorte is kennelijk poortwachter van de ‘poort genaamd Zandpoort’.

In 1344 wordt buiten de poort het ‘Burgerhuis’ gebouwd, een ‘structuram domorum extra portam Zandpoerte’; ‘een gebouw van huizen buiten de Zandpoort’. In 1362 komt een gezelschap van burgers bijeen ‘buiten de Zandpoort’ om te bezien waar een nieuwe poort, de ‘Veerpoort’ of ‘Voorpoort’, kan worden gebouwd. Dit zijn vermoedelijk de vroegste planmatige voorbereidingen voor de bouw van de buitenste Zandpoort. Meerdere voorpoorten zoals bij de Brinkpoort en de Dijkpoort werden in deze tijd aangelegd. Deze poort moet niet worden verward met de echte Veerpoort, stroomafwaarts gelegen bij de Stakelretoren, het latere bolwerk Graaf van Buren. In 1364 worden twee wachters vermeld die in een poortje (winket) van de Zandpoort wacht houden. In 1382 is Berend die Copdreyer poortwachter. In 1384 is er een nieuwe poortwachter, Gheride van Dieze. Ergens in de 14de eeuw geeft of schenkt een zekere Alberte van Cruften een aantal honden die tussen de stadsmuren moeten waken. Ook worden deze honden gevoerd met brood. Mogelijk zijn dit waakhonden die ‘s nachts de wacht moeten houden. Uit de archiefstukken blijkt niet waar deze honden waakten. In 1368 is een zekere Essikine sleuteldrager van de poort en hij moet ervoor zorgen dat ‘s avonds na het sluiten de sleutel naar het stadhuis wordt gebracht en ’s ochtends weer wordt opgehaald. In 1372 wordt er opdracht gegeven touwen aan de valdeur van de Zandpoort te maken. De werkzaamheden voor de nieuwe (buiten) Zandpoort beginnen in 1394. Meester Willem, de misselgier (stadsbode) van de stad met zijn gezellen (werklieden), Johan Ideling met zijn gezellen en ‘gravers’ (grondwerkers?) en de stadstimmerman Herman Coeniken met zijn gezellen beginnen aan het werk. Als dank krijgen zij behalve loon ook drie ‘taken’ wijn. Tevens wordt gewerkt aan een bolwerk voor de Zandpoort. Het bolwerk voor de Buiten-Zandpoort wordt in 1396 uitgebreid met een voerlading hout, waaruit palen voor het bolwerk worden vervaardigd. In 1397 waken Albert en Bertolde op de nieuwe toren van de Zandpoort, later ook Nieuwpoort genoemd. In 1414 legde een zekere Wigger twee karren zand op het Schild voor de Zandpoort en wordt de straat ‘gelapt’. Dit is de eerste vermelding van een ‘Schild’, net zoals er een Noordenbergschild, een Bergschild en een Schild bij de Penninckshoek aan de Brink bestaat. Op of bij dit bolwerk blijkt in 1417 een toren te staan. De Zandpoort krijgt in 1423 een nieuwe sleutel. In 1429 haalt Henric van Stenvorden met een kar de ‘bussen’ – kleine kanonnen of grote geweren op, die bij de Zandpoort liggen en brengt ze naar het ‘Raethuys’, het stadhuis op het Grote Kerkhof. Tijdens de verovering van Deventer in de Tachtigjarige Oorlog door de troepen van de Graaf van Rennenberg wordt de Zandpoort op 11 en 12 november 1578 vanaf de westoever van de IJssel beschoten en de toren en de muur van de Zandpoort worden getroffen. Hierdoor ontstaat een bres in de muur, de torenspits valt om en de schade is groot. Gezien de schade die in 1591 zal ontstaan, moeten de stadsmuren nog wel hebben gefunctioneerd of zijn er misschien kort na de aanval (provisorische) herstelwerkzaamheden uitgevoerd.

In 1580 mag teer niet meer in de kelders van de huizen worden opgeslagen, maar moet het tussen de muren bij de Zandpoort worden geplaatst. Brandbare stoffen moeten kennelijk uit de huizen worden verwijderd omdat er oorlog in de lucht hangt. Uit de Resolutieboeken blijkt dat op 3 december 1583 onderzocht wordt waar tussen de Bergpoort en de Zandpoort ‘mesenkouwen’ kunnen worden aangebracht. Het woord ‘mezekouw’ komt van het Franse woord ‘machicoulis’. Een mezekouw is een op de stadsmuur gebouwde uit kragende galerij met aan de buitenzijde in de bodemgaten waardoor de verdedigers de aanvallers kunnen bekogelen zonder zelf te worden geraakt. Garit Hoppenbrouwer betrekt in 1584 de woning in de toren naast de Zandpoort. Een jaar later wordt de toren tegenover de Raambrug, wellicht dezelfde toren als vermeld in 1417, gesloopt om meer schootsveld (?) te krijgen. Op 13 januari 1585 gelast burgemeester Peter Scholier dat ‘alle gebouwen van steen en hout tussen de muren in het Oude Raam’ moeten worden afgebroken. In 1591 breekt de oorlog opnieuw uit en leidt tot grote schade aan de stadsmuur. Met name het Bergkwartier krijgt het zwaar te verduren. Op 13 april 1607 besloot men de herstelwerkzaamheden te starten en het muurwerk op de plaats van de bres uit 1591 tussen de Zandpoort en de toren ’naast de hijskraan’ weer op te metselen. Ook legde men een aardlichaam aan van het Tolhuis tot de Zandpoort tot de oprit naar de wal (de stadsmuur). De gebruikte grond kwam ‘achter het Tolhuis’ vandaan. Ook wordt een extra muur gebouwd (volgens het Resolutieboek uit 1607) van ‘het huis van de burger’ tot aan het huis van Scholier. Uit deze aanwijzingen wordt de situatie na de laatste grote aanval in de Tachtig-jarige Oorlog voor het eerst enigszins duidelijk. De stadsmuur naast de Zandpoort word opgehoogd om de bres dicht te maken. Vermoedelijk ging het om het ophogen van één muur en niet van beide muren. Naast een toren bleek voor de poort een havenkraan te staan. Deze werd ook weer opgemetseld. Binnen, waarschijnlijk achter de binnenste Zandpoort en de voormalige binnenste stadsmuur, lag een aardlichaam dat daar vermoedelijk enige decennia eerder was aangebracht om de stadsmuur beter bestand te maken tegen kanonvuur. Hier bovenop werd vanaf het tolhuis een muur gemetseld die liep tot de oprit naar de stadsmuur ‘waar men naar de toren gaat’. De toren was dus verbonden met een deel van de stadsmuur. Ander muurwerk aan de westzijde van de Zandpoort zal worden opgemetseld bij het huis van een daar wonende burger tot tegen het huis van Scholier. Burgemeester Scholier woont in het huis de 12 Apostelen aan Brink, op de plaats van het voormalige Ziekenfondsgebouw. Later bezag men de situatie nog eens en dan wordt op 28 april 1607 toch besloten de toren (voor de poort??) te slopen. Daarna wordt het geheel beschreven als: ‘de muren zijn beslist hoog en voldoende dik en voorzien van meerdere grote torens, achter de muur liggen dikke wallen’. In 1825 wordt er gewerkt aan de Buiten Zandpoort. De aannemer begint met ‘het uitbreken van beide bogen, de beide buitenpenanten gelijk met de binnenmuren en de binnenpenanten gelijk met de gevels van de daartegen staande woonhuizen en in gelijke stand met de binnenmuur, net en zindelijk geheel, tot de nodige diepte onder de straat weg breken, ijzer en steenhouwwerk uitnemen, daarna het herstellen’ van de Buiten Zandpoort. In 1855 lag bij de Polstraat-Melksterstraat een aardlichaam dat al eerder in 1607 als ‘een aardwerk binnen de Zandpoort’ is vermeld en in hetzelfde jaar, als de stadsmuren al lang zijn gebouwd, wordt getypeerd als hoge muren met goede torens‘ende niet min dicke wallen daer achter aen’. Deze wal zou echter moeten worden gezien als een strategische toevoeging naar aanleiding van de oorlogsschade uit 1578 en 1601 en heeft waarschijnlijk weinig van doen met de ‘Vikingwal’. In 1352 wordt gesproken van het uitdiepen van de haven bij de Zandpoort en van de reparatie van het plein vóór de Zandpoort. In 1356 is er een grote overstroming ‘in magna aqua’, waarmee de IJssel wordt bedoeld, die het hele IJsselgebied en zeker de zone van de Zandport ernstig treft. In hetzelfde jaar wordt voor het eerst een graanmarkt bij de Zandpoort gemeld: ‘Hermanno Ekoren custodiente forum debladis apud Zantpoerten’ (Herman Ekoren die de korenmarkt bij de Zandpoort bewaakt). In 1357 wordt een ‘zijle’ buiten de Zandpoort gemaakt, een kleine gracht of grote waterafvoer. In 1358 wordt op de Welle bij de Zandpoort zes nachten gewaakt omdat overstroming dreigt; het Burgerhuis buiten de poort wordt versterkt. In 1360 is het de ‘custodiente’ (bewaker of wellicht poortwachter van de Zandpoort) die op het ‘propter siliginem’ (vanwege het tarwemeel) op moest letten. Mogelijk wordt de Bisschopstol al vanaf 1357 geheven te water voor de Zandpoort. Deze tol geldt voor al het scheepvaartverkeer langs Deventer; het landverkeer betaalde al bij de landpoorten: de Brink- en Bergpoort. In 1361 staat het water weer hoog en moeten de gaten die in de straat zijn ontstaan worden ‘gestopt’, dat wil zeggen herbestraat. Vooralsnog is dit de eerste aanwijzingvoor de aanwezigheid van straatwerk. Buiten de Zandpoort wordt het zand voor de reparatie van de straat gehaald van de Molenberg, een verdwenen rivierduin waarop molens stonden in het gebied van de tegenwoordige Noordenbergsingel en de Van Twickelostraat. In een bron uit 1365 staat iets over het gebruik van het gebied buiten de Zandpoort. Johan ter Hurnen heeft ‘vorgeadert heft van den schullen cramen ende kesebancken ende andere cramen buten der Zandpoerten’, waaruit blijkt dat vóór de poort een dagmarkt met kramen, tentjes en karrenkramen werd gehouden.

Deze Johan blijkt ook vóór de Zandpoort een houthandel te bezitten. In 1367 krijgt de heerkogge, het militaire vaartuig van de stad, een botenhuis (huysiken) dat vlak bij de Zandpoort moet liggen. In 1373 worden aan de Welle door twee (poort)wachters en anderen ‘keselinghe’ (straatkeien) gelost. In hetzelfde jaar drijft het houten Burgerhuis voor de Zandpoort weg, maar wordt met touwen vastgezet om te voorkomen dat het de IJssel afdrijft. Dreggers ruimden de rommel van de overstroming op zodat de poorten weer konden sluiten. Schepen(raadslid) Aerende Cuer had twee houtvlotten gekocht die kennelijk voor de Zandpoort lagen maar waren weggedreven in het hoge water. Zorg voor het dierenwelzijn bestond in 1378 ook al, wanneer in een strenge winter in de grachten werd een wak in het ijs geslagen zodat de vissen konden ademen. Voor de Zandpoort werd blijkbaar ook slijk, vermoedelijk stadsmest, neergeworpen want in 1381 ligt het in de weg en moet worden afgevoerd. Buiten de poort blijken in 1384 vier wagenladingen twijgen te liggen die in de ‘welle’, dus buiten de stadsmuur, zijn aangebracht maar niet waren betaald aan de leverancier. Acht eikensporen (balken) uit een ‘hoep’ hout aangevoerd in 1387 en bestemd voor de bouw van de havenwerken, waren nog niet afgerekend met Dirk Zunt, de Hollander. De vloed van 1433 bereikte het hoogste peil sinds mensenheugenis. Het water stond toen tot aan de Proosdij, tot op de Stromarkt. Deze vloed was hoger dan die van 1784. De aanwijzingen dat er een permanent veer voor de poort ligt omdat de IJsselbrug (1482) dan nog niet is gebouwd, worden steeds duidelijker. Mogelijk vertrekt dit veer al lange tijd van deze plaats. In 1383 blijken Arent en Lysabeth Lemmer de stedelijke veerdienst vanaf de Zandpoort over de IJssel naar de westoever te onderhouden. De karren en wagens komen in grote hoeveelheden samen voor de poort en gaan vandaar de stad binnen. Een zekere Pynnen houdt in 1405 in opdracht van de stadsorde op de Sint Maartensmarkt (11 november) en fungeert bij de Zandpoort als een soort marktmeester voor de kooplui. Dezelfde Pynnen zorgt ervoor dat de vele wagens voor de Zandpoort en bij De Waag in 1406 ordelijk worden geparkeerd en uitgespannen; dat is mogelijk het eerste parkeerbeleid in de Deventer binnenstad.

Gheerlogh Leyiendecker werkt met zijn gezellen in 1413 twee dagen ‘bovenin’ of ‘in de bovenste’ deel van de Zandpoort aan de ‘zeghelcameren’. Het is niet duidelijk waar de zegelkamer in het gebouw van de Zandpoort lag. Voor de poort ligt niet alleen het veer maar ook de ‘heerkogge’, het stads-oorlogsschip. In 1414 wordt deze ligplaats opnieuw bevestigd. In 1417 worden 29 karrenvrachten ‘werkzand’ gestort ‘up den calc bij der Zantpoerten’. Het is niet duidelijk wat met ‘calc’, buiten de benaming voor de grondstof, wordt bedoeld. In 1425 wordt er voor het eerst gesproken over wat zich tussen de muren bij de Zandpoort afspeelt. Lambert to Wechelo haalt slijk(stadsdrek) weg dat bij de Zandpoorten tussen de muren en bij de ‘schulleboeden’ ligt. De schulleboeden is de plaats waar de marktkramen worden opgeslagen. In1437 wordt de Oude Zandpoort (de binnenste Zandpoort) vertimmerd met planken (waghenschot) en vensters, kalck (mortel) en (bak)steen. Voor de Zandpoort worden in 1440 balken opgeslagen die naar de Steerne bij de Melksterstraat worden vervoerd. Vanaf hetzelfde jaar komt het begrip ‘Parrick’ steeds vaker voor. Het lijkt erop dat met dit woord ‘perk’ het gebied tussen de muren wordt bedoeld in de functie van een afgeperkte opslagplaats. Uit dit perk worden door Johan van Mynden twaalf karren drek gehaald; Johan Geerdszoon doet er twee dagen over om het Parrick schoon te krijgen. Voor de tweede helft van de 15de eeuw en de eerste helft van de 16de eeuw zijn de bronnen nog niet ontsloten. Wel blijkt dat in 1536 de haringmarkt tussen en binnen de twee Zandpoorten werd gehouden. Vanaf 1573 kan gebruik worden gemaakt van de besluiten van het stadsbestuur. In 1573 wordt aan de bewoner van de buitenste Zandpoort verboden nog langer bier te verkopen. Dat betekent dat hier een succesvolle horecagelegenheid is, mogelijk met herberg. De Resolutiën melden in 1583 dat de waardin bij de Zandpoort alleen nog met de kan bier mag tappen. Ze mag geen gelag, dat wil zeggen gasten in huis of herberg hebben. Kennelijk gaat het hier nogal eens mis en moet daarom op straat worden gedronken.

De oorlog komt nabij en in 1584 wordt besloten vreemdelingen en krijgslieden alleen nog via de Zandpoort toe te laten en te laten vertrekken. Dat blijkt ook wanneer al het vee dat op de Nieuwe Markt en de Brinkwal stond (afkomstig van de stadsweiden) dag en nacht tussen de Bokkingshang en de Zandpoort wordt opgesteld. In hetzelfde jaar worden kannen en potten aan de Welle verkocht en worden de varkensschotten (varkenskotten) tussen de Zand- en Bergpoort afgebroken. In de 17de en 18de eeuw zijn veel vermeldingen van verhuur en verkoop van woningen rond het gebied van de Zandpoort te vinden. In 1669 wordt de Binnen Zandpoort gesloopt en het overgebleven tufsteen wordt tot cement vermalen. De in 1337 al vermelde poort blijkt dus deels uit (secundair?) tufsteen te zijn opgebouwd. Onder het Berg-Vaandel, het burgervendel van het Bergkwartier, worden bij het ophalen van het vuurstedengeld in 1682 vier huizen vermeld die in de Zandpoort liggen. In 1714 blijkt Huis het Trapken pal naast de Zandpoort te liggen, met Brouwerij de Klaver aan de ene zijde en het huis van Derk Kranekamp aan de andere zijde, aan de wal (stadsmuur). In 1732 worden naast het huis van Bitter Dapper een erf en een huis bij de Zandpoort ‘achter de pomp’ verkocht. Dapper woonde pal naast de Zandpoort. Verder worden in de 18de eeuw vooral schuren, wagen(?)stallingen en erven vermeld bij de Zandpoort. De toegang door de Buiten Zandpoort was zeer nauw en als gevolg daarvan kon het toenemende verkeer moeilijk worden verwerkt. Bovendien stonden de aarden wal en de muren in de weg. Vóór 1856 verkocht het stadsbestuur grote delen van het gebied en in dat jaar begon men de aarden wal tussen Melksterpoort en Zandpoort af te graven en de muren te slopen. De Buiten Zandpoort werd kort voor 1859 gesloopt. Hier werd met gebruikmaking van resten van de oude poort, volgens tekeningen van de Zutphense architect J. A. Gerretsen, in hetzelfde jaar een herenhuis voor Mr. J.G. de Witt Hamer neergezet. Hij was de laatste president van de in 1877 opgeheven arrondissementsrechtbank. Zijn huis omvat tegenwoordig de huizen Zandpoort 11, 13 en 15. Vanaf 1930 tot ongeveer 1970 was hier dansschool Van Nieuwenhuis gevestigd. Na een ingrijpende restauratie in 1994 startte op deze plek restaurant Koh-i-Noor. In 1905 werden op de huidige Zandpoort 24 huizen gebouwd In 1932 werden grote delen aan de westzijde van het gebied tussen de poorten gesloopt om de straat te verbreden en de Brink beter voor vrachtverkeer bereikbaar te maken. Daarna zijn er geen noemenswaardige veranderingen meer aangebracht.

Bergkwartier door Bartholomeus Johannes van Hove

© Copyright - Historisch Deventer